Vladimir Solovjov

Liefste, zie je dan niet dat
Wat we kijkende ervaren
Slechts de afschaduwing is
Van wat ogen niet ontwaren?

Liefste, hoor je dan niet dat
Straatlawaai en harde woorden
Slechts de valse echo zijn
Van welluidende akkoorden?

Liefste, voel je dan niet dat
Er maar één ding blijkt te tellen -
Dat wat harten tot elkaar
In doofstommenspraak vertellen?


Vjatsjeslav Koeprijanov

Het is mooi een huis te zijn
voor het enige hart
dat je niet wil achterlaten.

Het is mooi een ladder te zijn
voor kinderen
die op een sombere dag
Naar de zon willen klimmen.

Het is mooi een deur te zijn
zachtjes knarsend maar toch opengaand
voor al wie wil binnengaan.

En een raam
waarin het licht niet dooft
voor al wie denkt:
het is al laat.


William Butler Yeats

Hoe kan ik mijn aandacht bepalen,
terwijl daar dat meisje staat,
bij wat er in Rome of Rusland
of Spanje, aan politiek omgaat?
Toch is hier een bereisde man
die weet waarover hij het heeft
en daar is een politicus
die nadenkt en veel leest,
en 't kan wel waar zijn wat ze zeggen
over oorlog en oorlogsgevaar,
maar o, wat was ik liever jong
en vrijde ik met haar!


Gerrit Achterberg

Gij kunt mijn naam doen schrappen uit de burgerlijke stand
Al wat aan mij herinnert zij vergeten en verbrand
Wanneer dit lied U nog bereikt, verneem het enkel
als wind en eeuwigheid, een bloem in uwe hand


Henriëtte Roland Holst - van der Schalk


Leer stil zijn en leer niets doen en leer wachten:
't geheim der sterken school altijd daarin,
dat zij zich instelden op lange drachte' en
intoomden d' ongestuime dadenzin.

Niet 't wachten der praatgragen zij het onze,
die, sprekend aldoor over wat zal zijn,
intusschen inslurpen als grage sponzen,
met lijf en ziel den heeten levenswijn,

maar 't dadenrijke wachten van wie maken
wachtend, zichzelven èn het levensveld
anders, wie niet uitstellen het ontwaken
tot een bazuinroep door de heuvlen zwelt.

Zij voor wie alle dage' en alle uren
de eeuwigheid breekt door den tijd
en die houden aldóór bij de kampvuren
zwijgende wacht, te gaan bereid.




H. Marsman


De boot van Dionysos 

Ik die bij sterren sliep en 't haar der ruimten droeg

als zilveren gewei, en 't stuifmeel der planeten

over den melkweg blies en in de maan gezeten

langs 't grondeloze blauw der zomernachten voer,

ik ben beroofd en leeg, mijn schepen zijn verbrand,
mijn stem verloor haar gloed en vindt geen weerklank meer

in 't dode firmament, niets dan de galm die keert

van 't sombere gewelf van mijn ontredderd hart.


ik sta alleen, geen God of maatschappij

die mijn bestaan betrekt in een bezield verband,
geen horizon of zee, geen poovre korrel zand

in 't naamloos wel en wee der brandende woestijn.


ik voel de waatren stijgen in den nacht,

de angst rijst naar den mond en aan mijn lippen staan

vermoeienis en walg, ik heb mijn merg verdaan

in slaafse horigheid aan het roofzuchtig bloed.


niets rest mij dan mijn val, laat mij te pletter slaan

en kermen als een meeuw tussen het zwarte wier;

die eens als zon in 't zenith heeft gestaan,

zal bijten in het zand als een kreperend dier.


Jorge Debravo

Mens

mens ben ik, ik werd geboren,
ik bezit huid en hoop
Dus ik eis
dat ze me die laten gebruiken
Ik ben geen God: ik ben mens
(zeg maar een alg)
Maar ik eis warmte in mijn wortels,
middageten in mijn darmen.
Ik vraag geen eeuwigheden
vol witte sterren.
Ik vraag tederheid, avondeten
stilte, brood en huis.
Mens ben ik, dat wil zeggen
een dier met woorden
Dus eis ik
dat ze me die laten gebruiken.


Fernando Pessoa

Nu dan, vandaag dat ik alleen ben en kan zien
Met dat vermogen van het hart, te zien
Wat ik niet ben, al wat ik niet kan zijn,
Wat ik, als ik het was, vergeefs zal zijn,

Vandaag, ik zeg het u, wil ik duurzaam
Beseffen dat ik niemand ben,
En van mijzelf, hooghartig, mij ontslaan
Wijl ik mijn feilen onderken.

Ik heb gefaald in alles, zonder iets te wagen,
zonder iets te doen of iets te zijn,
Noch heb ik, in de distels mijner dagen,
De bloem geplukt van gelukkige schijn.

Rest mij - want ergens is de arme rijk
Als hij het maar wil weten -
De grote onverschilligheid die bij mij blijft.
Ik schrijf het op, om het niet te vergeten.


Adriaan Roland Holst

Waar heeft rondom het huis de wind het over?
Achter geloken ogen gaat het huis teloor
en wandel ik weer langs een oever
van het verleden, en er is geruis
van water en van riet, vooral van water.
Een blij kind roept mijn naam—werd ik ooit oud?
Ver van de kudde staat een schaap te blaten
als vele jaren her, en ik werd oud.
De wind gaat liggen en de lucht betrekken:
sterven brengt ander weer, ik wist het wel.
Weldra kan ook geen blij kind mij meer wekken.
Dan gaat de dood sneeuwen, en het wordt stil.


Henriëtte Roland Holst-van der Schalk


Ook ik ben omstreeks 't midden mijner dagen
verdwaald geraakt in levens donker woud,
maar mij heeft geen aardsche wijsheid ontvouwd
den weg uit smart en twijfel, noch gedragen

omhoog, en geen hemelsche oogen zagen
neer op mij, vanwaar hoog're klaarte blauwt
m'in teed're zorg omwakend, en met stage
stralen heffend naar waar men waarheid schouwt.

Mij leidt geen gids, als het eigen gemoed,
mij schoort geen steun, dan d'enk'le trouwe handen
die mij opbeuren als de kracht bezwijkt;

mij sterkt geen afgezant uit beet're landen
dan soms het ruischen, als een vleugel doet,
van zachte hoop die langs mijn wangen strijkt.



Alberto Caeiro (Fernando Pessoa)

Toen ik je nog niet had 
Hield ik van de natuur zoals een kalme monnik houdt van Christus... 
Nu houd ik van de natuur 
Zoals een kalme monnik van de Maagd Maria houdt, 
Religieus, op mijn manier, als vroeger, 
Maar op andere, meer ontroerde en meer nabije wijze.
Ik zie de rivieren beter als ik met jou door de velden ga 
Tot aan de oever der rivieren; 
Naast jou zittend, kijkend naar de wolken, 
Kijk ik beter naar de wolken...
Jij hebt de natuur mij niet ontnomen...
Jij hebt de natuur voor mij in niets veranderd...
Jij hebt de natuur heel dicht bij mij gebracht. 
Omdat jij bestaat zie ik haar beter, maar als natuur dezelfde, 
Omdat jij mij liefhebt, heb ik haar net zo lief, maar meer,
Omdat jij mij kiest om je te hebben en lief te hebben, 
Hebben mijn ogen haar langer aanschouwd 
En boven alle dingen. 

Ik heb geen spijt van wie ik vroeger was
Omdat ik die nog ben. 
Ik heb slechts spijt je vroeger niet te hebben liefgehad.

Uit de cyclus: De herder verliefd


Ramsey Nasr

da capo

treed binnen allerzwartste
met je gezandstraalde ziel
gerangschikte tranen
treed binnen en brul als een dame

schreeuw onder een houten doek
opnieuw cadenza na cadenza
sterf in een lijf dat niet van jou is
zing tot bloedens toe
                                      ik wacht

beuk open de rode zaal
ik heb haar schoon en stil gemaakt
en smeek je wees mijn opera
da capo
                                      kus dit lege hart



Armando

Voorzichtig

Ze liepen voorzichtig,
en lieten het landschap binnenkomen,
ze merkten dat hun tred bewonderd werd.

Heel voorzichtig gingen ze door de deuren,
langs het lusteloze strand, bezichtigden de bomen,
ze dachten dat de struiken ontvlambaar waren
en de hemel onder handbereik.

Zie, ze houden zich voorzichtig vast.


Driek van Wissen

Water

Het water dat het land doorsnijdt
Knakt telkens weer het broze riet
Dat aan de oevers wortel schiet,
De korte levensduur ten spijt.

Toch treft het water geen verwijt,
Want de rivier verliest zich niet
In hoop en wanhoop en verdriet,
Maar gaat voorbij aan alle tijd.

Zij kent geen enkel onderscheid
Tussen de bron die zij verliet
En het toekomstig stroomgebied
Waarheen het water wordt geleid.

Hij die het water overziet
Ziet spiegels van de eeuwigheid.


Ricardo Reis (Fernando Pessoa)

Ik wil niet herinneren noch mij kennen
Wij zijn te veel wanneer wij in onszelf zien.
Negeren dat wij leven
Is voldoende leven.

Zolang wij leven, leeft het uur waarin
Wij leven, en dat evenzeer zal sterven
Of het nu met ons gaat
Of wij met het uur.

Indien dit weten niet het weten waard is
(Want wat is kennen zonder dat wij kunnen?),
Is beter leven dat wat
Duurt en wij niet meteen


Ricardo Reis

De goden gunnen ons niet meer dan 't leven.
Weigeren wij dus al wat ons tilt tot
Onadembare toppen
Eeuwig zonder bloemen.
Laat ons slechts van aanvaarding kennis hebben.
Zolang het bloed in onze slapen slaat
En liefde niet in ons
Verdort, laat ons bestaan
Als vensterglas, doorschijnend voor het licht
En waarlangs droeve regendruppels glijden,
Lauw in de warme zon
En ietwat spiegelend.