De gruwelen zijn voor het einde bewaard:
kerstmis, oudjaar, de kwijlende grijsaard,
het langzame sterven.
Sinds jij mij verliet dwaal ik doelloos rond,
pas maskers die mij niet bevallen.
Vanochtend werd ik wakker met een mond
vol ongerechtigheid:
bedelen, beweert Alberti,
is de enige kunst die niet wordt geleerd.
Ik ben er voor geboren.
Herman de Coninck
De dood heeft mij een aanzoek gedaan.
Ik werd wit van het blozen.
(Ik bloosde als witte rozen.)
Mag ik degene zijn van wie je hebt gehouden?
Ik. Er ligt een hand op, op mijn borst.
Mag ik dat voor mezelf houden,
mezelf?
Een hand, dat is waarachter ik
Glimlachte, een schoot had, me
excuseerde, stierf.
Je vroeg me om mijn hand.
‘Mag ik haar terug?’
Hans Lodeizen
De buigzaamheid van het verdriet
In een wereld van louter plezier
kwam ik haar tegen, glimlachend,
en ze zei: wat liefde is geweest
luister ernaar in de bomen
en ik knikte en we liepen nog lang
in de stille tuin.
de wereld was van louter golven
en ik zonk in haar als een lijk
naar beneden het water sloot
boven mijn hoofd en even
voelde ik een vis langs mij strijken
in de stille zee.
dag zei ik tegen haar dag kom
ik je nog eens tegen, glimlachend
maar de wind blies weg
haar gezicht in het water
en ik knikte en ik werd onzichtbaar
in het stille leven.
kwam ik haar tegen, glimlachend,
en ze zei: wat liefde is geweest
luister ernaar in de bomen
en ik knikte en we liepen nog lang
in de stille tuin.
de wereld was van louter golven
en ik zonk in haar als een lijk
naar beneden het water sloot
boven mijn hoofd en even
voelde ik een vis langs mij strijken
in de stille zee.
dag zei ik tegen haar dag kom
ik je nog eens tegen, glimlachend
maar de wind blies weg
haar gezicht in het water
en ik knikte en ik werd onzichtbaar
in het stille leven.
Het innerlijk behang en andere gedichten, 1952
Ida Gerhardt
Langzaam opent zich het inzicht
dat een werkelijk vers iets levends
is, van stonde aan een wonder.
Langzaam opent zich het inzicht
dat het licht van binnenin is
wat die wisseling geeft van tinten.
Langzaam opent zich het inzicht
dat geen mensenkind kan weten
waar de herkomst van het vers ligt
dat een werkelijk vers iets levends
is, van stonde aan een wonder.
Langzaam opent zich het inzicht
dat het licht van binnenin is
wat die wisseling geeft van tinten.
Langzaam opent zich het inzicht
dat geen mensenkind kan weten
waar de herkomst van het vers ligt
W.B. Yeats (1865-1939)
No second Troy
Why should I blame her that she filled my days
With misery, or that she would of late
Have taught to ignorant men most violent ways,
Or hurled the little streets upon the great,
Had they but courage equal to desire?
What could have made her peaceful with a mind
That nobleness made simple as a fire,
With beauty like a tightened bow, a kind
That is not natural in an age like this,
Being high and solitary and most stern?
Why, what could she have done, being what she is?
Was there another Troy for her to burn?
Geen tweede Troje
Wat zou ik haar kwalijk nemen dat zij mijn dag
met ellende vervulde, of dat ze onwetenden
de laatste tijd geweld bijbracht,
of kleine straten op de grote had gesmeten
wanneer die maar de moed hadden gehad?
Wat kon haar vreedzaam hebben gemaakt
met de noblesse die haar vuur aanstak,
schoonheid als een gespannen boog, een aard
die niet natuurlijk is in een tijdperk als dit,
omdat zij hoog en eenzaam is, niet aan te randen?
Maar wat kon ze anders, zijnde wat ze is?
Was er een ander Troje dan om te verbranden?
Why should I blame her that she filled my days
With misery, or that she would of late
Have taught to ignorant men most violent ways,
Or hurled the little streets upon the great,
Had they but courage equal to desire?
What could have made her peaceful with a mind
That nobleness made simple as a fire,
With beauty like a tightened bow, a kind
That is not natural in an age like this,
Being high and solitary and most stern?
Why, what could she have done, being what she is?
Was there another Troy for her to burn?
Geen tweede Troje
Wat zou ik haar kwalijk nemen dat zij mijn dag
met ellende vervulde, of dat ze onwetenden
de laatste tijd geweld bijbracht,
of kleine straten op de grote had gesmeten
wanneer die maar de moed hadden gehad?
Wat kon haar vreedzaam hebben gemaakt
met de noblesse die haar vuur aanstak,
schoonheid als een gespannen boog, een aard
die niet natuurlijk is in een tijdperk als dit,
omdat zij hoog en eenzaam is, niet aan te randen?
Maar wat kon ze anders, zijnde wat ze is?
Was er een ander Troje dan om te verbranden?
Toon Tellegen
M. Vasalis
Ik droom steeds vaker in mijn dromen
een barre grond, groot en verlaten,
gegolfd, versteend, verwonderlijk geplooid,
met kromme, bladerloze, grote bomen,
als een van te nabij gezien en oud gelaat,
en voel mij thuis – te dicht bij huis – gekomen.
Te sterk, te naakt, te vroeg berooid.
Daar is geen rust, gewen dood, al bloeit geen blad,
al is het stil – geen vogelstemmen...
De stilte en rust zijn schijn:
het hart van een cycloon,
al klopt het niet, een niet te temmen
kracht schijnt alles bij elkaar te klemmen.
Zo is het land, waarin ik woon.
O tovenaar, o kracht, waar zijn de vogels toch gebleven,
de kleine, warme, met hun ritselende veren,
die zich van takjes stortten met een dikke keel;
de twijgjes die zich verende herstelden
van ’t licht gewicht, dat het zo sierelijk verliet?
Het waren toch zo vele
Wanneer ik sterven moet, wil ik bij kleine vogels sterven
en water horen en de oortjes van het gras
zien spitsen en de losse aarde voelen.
een barre grond, groot en verlaten,
gegolfd, versteend, verwonderlijk geplooid,
met kromme, bladerloze, grote bomen,
als een van te nabij gezien en oud gelaat,
en voel mij thuis – te dicht bij huis – gekomen.
Te sterk, te naakt, te vroeg berooid.
Daar is geen rust, gewen dood, al bloeit geen blad,
al is het stil – geen vogelstemmen...
De stilte en rust zijn schijn:
het hart van een cycloon,
al klopt het niet, een niet te temmen
kracht schijnt alles bij elkaar te klemmen.
Zo is het land, waarin ik woon.
O tovenaar, o kracht, waar zijn de vogels toch gebleven,
de kleine, warme, met hun ritselende veren,
die zich van takjes stortten met een dikke keel;
de twijgjes die zich verende herstelden
van ’t licht gewicht, dat het zo sierelijk verliet?
Het waren toch zo vele
Wanneer ik sterven moet, wil ik bij kleine vogels sterven
en water horen en de oortjes van het gras
zien spitsen en de losse aarde voelen.
M. Vasalis

Alleen wat leeft en lichaam heeft,
al 't andre is doodszweet, stof en damp.
En ieder woord moest er niet zijn,
en van de god geen beeltenis.
Vanavond lag de smalle maan
licht achterover en huwde een ster,
te zinnebeeldig en te ver
omdat ik het niet aan kon raken.
Ik wil een woord, dat toovren kan
en tovert dat je bij mij bent
en me omhelst, mij, dunne maan.
Ik roep je en je komt maar niet!
Wat woorden woorden woorden toovren niet.
Bart Moeyaert

Er zijn plekken
waar ik zonder glimlach
niet meer langs kan.
Ooit is daar een grap
verteld, een kus geroofd,
iets voor het eerst gedacht.
Ter hoogte van mijn oor,
bijvoorbeeld,
heb jij me op een nacht
beloofd dat eeuwigheid
een leugen is, maar dat het
daarom tussen ons niet
minder lang gaat duren.
Meer woorden waren er
niet nodig – een mond
spreekt van zichzelf al mooi
en huid heeft een geheugen.
Jij blijft mijn hals, mijn navel,
mijn holte van mijn knie
voor altijd bij.
Zonder glimlach kan ik
aan geen plek voorbij.
Antjie Krog

Soveel kere sien ek jou op vreemde reise gaan
Soveel kere bly ek op my verlate oprit staan
Ek sluit die voordeur vinnig teen 'n wit albaster maan
en vou my arms rondom my -
my oë smeul jou naam
Soveel jare bly ek reeds my hart alleen bewoon
deur dae wat verkleur van blou tot oker silikoon
Wolke in die winterson bly voortvou aan 'n droom -
teen die draad vurk bome
hulle roerlose patroon
Saans in koue strate dwaal ek doelloos in my jas
Ek sien verlate winkels, 'n pop wat liglangs tas
Papiere waai verkreukel; met ek wat nêrens pas
Dit bloei daar waar ons eens
aan mekaar so vas was
Soveel kere sien ek jou gestalte in my deur
Soveel kere voel ek hoe vreemd is alles weer
Dan is jy skielik by my en ek het geen verweer
hoe ruik jou trui, hoe geur jou stem -
die kilheid word besweer
Soveel kere sien ek jou op vreemde reise gaan
Soveel kere bly ek op my verlate oprit staan
Wolke teen die winterson bly voortvou aan 'n droom -
teen die draad vurk bome
Fons Jansen

Hoe lang nog gaat het duren
Dit hinken op gedachten
Tussen zijn en verwachten
Ik kan mijn geluk niet op
Ik kan mijn verdriet niet verstouwen
Wat ik wil is te mooi om waar te zijn
Wat ik zie is te waar om mooi te zijn
Wat ik voel is te groot voor woorden
Toch kan ik er niet over zwijgen
Woorden struikelen vlak voor het noemen
En mijn daden? Te gek om los te lopen
Uit angst doe ik precies wat mij bang maakt
Mijn zoeken naar rust maakt me onrustig
Mijn schuld is dieper dan mijn opzet
En mijn liefde is te klein voor de lust
Ik ben net teveel voor alleen
En net te weinig voor samen
Zo kom ik niet tot mijn plicht
Zo kom ik niet tot mijn recht
En het blijft behelpen
Voor jou...
Rudy Kousbroek

O zeg ons toch, eerwaarde raaf,
Waart gij uw hele leven braaf?
Het antwoord luidde, kort en bondig:
Ik was mijn hele leven zondig.
Bedreef U, mag ik dat ook vragen,
Dat zondigen met welbehagen?
Ja, zondigen was mij een lust,
Ik weet niet waar dat op berust;
Ik zondigde met overgave,
Alleen en met de andere raven.
Maar nu is dat sinds lang vergeten,
De wereld heeft het nooit geweten.
Ik luister, liggend op mijn knieën,
Naar stichtelijke melodieën;
Maar dit wil ik nog wel verkondigen:
Begin zo jong je kunt met zondigen.
Miriam van hee

MAANDAG
iemand kan honderd keer
het raam opendoen en weer sluiten
koffie zetten, de post ophalen
boodschappen doen
en zich niet thuis voelen
het gaat er niet om
hoe vaak iemand aan tafel
gaat zitten en een gedicht
probeert te schrijven over zichzelf
als over een ander die
onschuldig is
iemand kan falen
en het daarbij laten
Ellen Warmond

BERICHT
Een middag smelt als sneeuw
een avond valt als regen
hier is de weersverwachting voor de nacht:
toenemende warmte in de nanacht
kans op hevige stormen
waarschuwing voor weerzin in de morgen
overtrekkende zorgen
hier volgt een extra melding voor de mensen:
er is maar één ding beter dan een mens
een ander mens.
Gerrit Kouwenaar
Aleksandr Poesjkin

't Is tijd, mijn vriend, 't is tijd! Het hart verlangt naar vrede -
De dagen vliegen heen, en ieder uur voert mede
Een deeltje van 't bestaan; en ook al willen wij
Van 't leven nog zoveel ... Opeens is het voorbij.
Op aard is geen geluk, slechts rust is ons gegeven,
Ik droom allang van een benijdenswaardig leven,
Ik, moede slaaf, ik wens al sinds mijn prille jeugd
Te vluchten naar een oord van werk en puur geneugt.
H. Marsman

Brief aan een vriend
Tracht, na uw vijftigste jaar,
langzaam te leren, dat het goed is
als de bladeren vallen;
de sterken worden dan toch nog lang niet gerooid;
zeg tot u-zelf: "ik wil pas vallen
onder den winterstorm".-
mij kan soms nu het verlangen al overvallen
naar onze latere jaren,
als ik niet meer gekooid
in dit zwerfziek verlangen
wonen zal in het huis aan de brede rivier.
hoe goed zal het zijn
de dagen te laten verstrijken
met roeien en jagen;
om verweerd en rijzig het land te doorlopen
en te ervaren dat het verhaal van ons leven
den slag van het water gaat krijgen
dat wij rijpen bij wind en weer.
dan slaat ook de gloed niet zo licht meer
met snelle en vluchtige slagen naar buiten
in gelach en geween;
maar er zal een stil vuur in ons zijn,
verborgen in merg en been.
zwervend door het oneindige land
zullen wij sterker en rustiger zijn,
opgenomen in het stromend verband
der seizoenen, dieper verwant
met de ruimte en het wisselend weer.
en dan?
dan zitten wij 's nachts bij het vuur
en ik lees u voor uit een boek,
dat ik dan heb geschreven,
een boek als de "Waterman".
of lacht ge, dat dat niet kan?
waarom niet, ik ben immers nog jong.
kent gij de verborgen wegen?
het roer kan nog zesmaal om!
laat uw humor, uw gloed, uw snelle boosaardige tong
u vooral niet begeven
en bezoek mij, eenmaal,
in het huis van mijn ouderdom.
Konstantínos Kaváfis

Half uur
Ik heb je niet bezeten, en ik zal je niet bezitten,
denk ik, nooit. Enkele woorden, een even nader komen,
zoals eergisteren in de bar, en verder niets.
Dat geeft, ik ontken het niet, verdriet. Maar wij, dienaars van de Kunst
wij scheppen soms, door grote geestesspanning,
en ongetwijfeld maar voor korte tijd, ons een genot,
dat ons bijna tastbaar schijnt.
Zo had ik – geholpen zeker in hoge mate
door de barmhartige alcohol –
een half uur van volmaakte erotische beleving.
En jij begreep het, dunkt mij, en je bleef met opzet
nog wat langer.
Dat was zeer noodzakelijk. Want ondanks de fantasie,
en ondanks de magische alcohol,
was het nodig dat ik je lippen zag,
was het nodig dat je lichaam dichtbij me was.
Leo Vroman

Een psalm voor alles
Een psalm voor alles waar geen psalmen voor bestaan
voor dode dingen, die toch ook vergaan:
voor een stukje touw, vertreden tot los vlas
zowel als voor het plantje dat het was.
Een psalm voor bijna doorgeroeste bommen,
een psalm voor doorgekraste optelsommen,
een psalm voor blijkbaar veel te lieve
en daarom doorgescheurde brieven,
een psalm voor het eeuwig ongebeurde,
een psalm voor onbestaanbaar gras,
een voor de slachter en de laatste plas
die uit het lammetje te voorschijn spuit,
een psalm voor de oude verfstpat op die ruit,
een psalm voor het geweten en vergeten
verkoolde huis en dan daarvan het kind
en dan daarvan de druppel zweet en
daarvan die koelte voor de dood begint.
Charles Baudelaire

In het voorbijgaan
De straat omgaf mij met haar daverend kabaal en
Lang, slank, in diepe rouw ging mij een vrouw voorbij,
Verheven in haar smart; met fraaie hand liet zij
De zoom van haar gewaad opzweven en weer dalen,
Op snelle benen en met statueske grootheid.
En uit haar ogen, loden lucht waar storm ontspringt,
Dronk ik verkrampt, bevangen als een zonderling,
Zoetheid die fascineert, genot dat tot de dood leidt.
Een bliksemflits... en toen de nacht! Vluchtige schone
Wier blik mij één moment met levenskracht beloonde,
Zal ik je in het eeuwig leven pas weer zien?
Elders, ver weg van hier! Te laat! Of nooit misschien!
Ik weet niet waar jij vlucht, jij niet waar ik zal gaan,
Vrouw die ik had bemind, vrouw die dat hebt verstaan!
Charles Baudelaire, Frankrijk, 1821-1867






