Fons Jansen


Hoe lang nog gaat het duren
Dit hinken op gedachten
Tussen zijn en verwachten

Ik kan mijn geluk niet op
Ik kan mijn verdriet niet verstouwen

Wat ik wil is te mooi om waar te zijn
Wat ik zie is te waar om mooi te zijn

Wat ik voel is te groot voor woorden
Toch kan ik er niet over zwijgen

Woorden struikelen vlak voor het noemen
En mijn daden? Te gek om los te lopen

Uit angst doe ik precies wat mij bang maakt
Mijn zoeken naar rust maakt me onrustig

Mijn schuld is dieper dan mijn opzet
En mijn liefde is te klein voor de lust

Ik ben net teveel voor alleen
En net te weinig voor samen

Zo kom ik niet tot mijn plicht
Zo kom ik niet tot mijn recht

En het blijft behelpen
Voor jou...

Rudy Kousbroek


O zeg ons toch, eerwaarde raaf,
Waart gij uw hele leven braaf?

Het antwoord luidde, kort en bondig:
Ik was mijn hele leven zondig.

Bedreef U, mag ik dat ook vragen,
Dat zondigen met welbehagen?

Ja, zondigen was mij een lust,
Ik weet niet waar dat op berust;

Ik zondigde met overgave,
Alleen en met de andere raven.

Maar nu is dat sinds lang vergeten,
De wereld heeft het nooit geweten.

Ik luister, liggend op mijn knieën,
Naar stichtelijke melodieën;

Maar dit wil ik nog wel verkondigen:
Begin zo jong je kunt met zondigen.

Miriam van hee


MAANDAG

iemand kan honderd keer
het raam opendoen en weer sluiten
koffie zetten, de post ophalen
boodschappen doen
en zich niet thuis voelen

het gaat er niet om
hoe vaak iemand aan tafel
gaat zitten en een gedicht
probeert te schrijven over zichzelf
als over een ander die
onschuldig is

iemand kan falen
en het daarbij laten

Ellen Warmond


BERICHT

Een middag smelt als sneeuw
een avond valt als regen
hier is de weersverwachting voor de nacht:
toenemende warmte in de nanacht
kans op hevige stormen
waarschuwing voor weerzin in de morgen
overtrekkende zorgen
hier volgt een extra melding voor de mensen:
er is maar één ding beter dan een mens
een ander mens.

Gerrit Kouwenaar


Ik lig als een schip op de rede
van een stad die eeuwen bestaat

Ik ben vastgelegd aan een heden
Maar draag een verleden naam

Ik huis hier tussen mijn muren
Zoals mensen binnen een huid

Ruimte kijkt uit door mijn ramen
ik ben voor de mensen gebouwd

Aleksandr Poesjkin


't Is tijd, mijn vriend, 't is tijd! Het hart verlangt naar vrede -
De dagen vliegen heen, en ieder uur voert mede
Een deeltje van 't bestaan; en ook al willen wij
Van 't leven nog zoveel ... Opeens is het voorbij.
Op aard is geen geluk, slechts rust is ons gegeven,
Ik droom allang van een benijdenswaardig leven,
Ik, moede slaaf, ik wens al sinds mijn prille jeugd
Te vluchten naar een oord van werk en puur geneugt.

H. Marsman


Brief aan een vriend
Tracht, na uw vijftigste jaar,
langzaam te leren, dat het goed is
als de bladeren vallen;
de sterken worden dan toch nog lang niet gerooid;
zeg tot u-zelf: "ik wil pas vallen
onder den winterstorm".-
mij kan soms nu het verlangen al overvallen
naar onze latere jaren,
als ik niet meer gekooid
in dit zwerfziek verlangen
wonen zal in het huis aan de brede rivier.
hoe goed zal het zijn
de dagen te laten verstrijken
met roeien en jagen;
om verweerd en rijzig het land te doorlopen
en te ervaren dat het verhaal van ons leven
den slag van het water gaat krijgen
dat wij rijpen bij wind en weer.
dan slaat ook de gloed niet zo licht meer
met snelle en vluchtige slagen naar buiten
in gelach en geween;
maar er zal een stil vuur in ons zijn,
verborgen in merg en been.
zwervend door het oneindige land
zullen wij sterker en rustiger zijn,
opgenomen in het stromend verband
der seizoenen, dieper verwant
met de ruimte en het wisselend weer.
en dan?
dan zitten wij 's nachts bij het vuur
en ik lees u voor uit een boek,
dat ik dan heb geschreven,
een boek als de "Waterman".
of lacht ge, dat dat niet kan?
waarom niet, ik ben immers nog jong.
kent gij de verborgen wegen?
het roer kan nog zesmaal om!
laat uw humor, uw gloed, uw snelle boosaardige tong
u vooral niet begeven
en bezoek mij, eenmaal,
in het huis van mijn ouderdom.

Konstantínos Kaváfis


Half uur

Ik heb je niet bezeten, en ik zal je niet bezitten,
denk ik, nooit. Enkele woorden, een even nader komen,
zoals eergisteren in de bar, en verder niets.
Dat geeft, ik ontken het niet, verdriet. Maar wij, dienaars van de Kunst
wij scheppen soms, door grote geestesspanning,
en ongetwijfeld maar voor korte tijd, ons een genot,
dat ons bijna tastbaar schijnt.
Zo had ik – geholpen zeker in hoge mate
door de barmhartige alcohol –
een half uur van volmaakte erotische beleving.
En jij begreep het, dunkt mij, en je bleef met opzet
nog wat langer.
Dat was zeer noodzakelijk. Want ondanks de fantasie,
en ondanks de magische alcohol,
was het nodig dat ik je lippen zag,
was het nodig dat je lichaam dichtbij me was.

Leo Vroman


Een psalm voor alles

Een psalm voor alles waar geen psalmen voor bestaan
voor dode dingen, die toch ook vergaan:
voor een stukje touw, vertreden tot los vlas
zowel als voor het plantje dat het was.

Een psalm voor bijna doorgeroeste bommen,
een psalm voor doorgekraste optelsommen,
een psalm voor blijkbaar veel te lieve
en daarom doorgescheurde brieven,

een psalm voor het eeuwig ongebeurde,
een psalm voor onbestaanbaar gras,
een voor de slachter en de laatste plas
die uit het lammetje te voorschijn spuit,

een psalm voor de oude verfstpat op die ruit,
een psalm voor het geweten en vergeten
verkoolde huis en dan daarvan het kind
en dan daarvan de druppel zweet en
daarvan die koelte voor de dood begint.

Charles Baudelaire


In het voorbijgaan

De straat omgaf mij met haar daverend kabaal en
Lang, slank, in diepe rouw ging mij een vrouw voorbij,
Verheven in haar smart; met fraaie hand liet zij
De zoom van haar gewaad opzweven en weer dalen,

Op snelle benen en met statueske grootheid.
En uit haar ogen, loden lucht waar storm ontspringt,
Dronk ik verkrampt, bevangen als een zonderling,
Zoetheid die fascineert, genot dat tot de dood leidt.

Een bliksemflits... en toen de nacht! ­ Vluchtige schone
Wier blik mij één moment met levenskracht beloonde,
Zal ik je in het eeuwig leven pas weer zien?

Elders, ver weg van hier! Te laat! Of nooit misschien!
Ik weet niet waar jij vlucht, jij niet waar ik zal gaan,
Vrouw die ik had bemind, vrouw die dat hebt verstaan!

Charles Baudelaire, Frankrijk, 1821-1867

Vasalis


In de oudste lagen van mijn ziel,
waar hij van steenen is gemaakt,
bloeit als een gaaf, ontkleurd fossiel
de steenen bloem van uw gelaat.

Ik kan mij niet van u bevrijden.
er bloeit niets in mijn steen dan gij.
De oude weelden zijn voorbij
maar niets kan mij meer van u scheiden.

Carlos Drummond de Andrade


ik hou van je
omdat ik niet genoeg
houd
van mijzelf of juist te veel.

want liefde wordt niet uitgeruild,

en niet gedeeld en niet bemind.

want liefde is liefde tot niets,

sterk en gelukkig in zichzelf.

liefde, neef van de dood, is van de dood

de overwinnaar, hoe men ook

(en dat gebeurt) haar doodt

in ieder ogenblik van liefde.

Judith Herzberg


Het duurt altijd langer dan je denkt,
ook als je denkt
het zal wel langer duren dan ik denk
dan duurt het toch nog langer
dan je denkt.

Het is altijd veel duurder dan je denkt,
ook als je denkt
het zal wel veel duurder worden dan ik denk
dan wordt het toch nog duurder
dan je denkt.

Het kost meer moeite dan je denkt,
ook als je denkt
het zal wel veel meer moeite kosten dan ik denk
dan kost het toch meer moeite
dan je denkt.

Het duurt veel korter dan je denkt,
ook als je denkt
het zal wel korter duren dan ik denk
dan duurt het toch
nog korter dan je denkt.

Michel van der Plas


Maar ik houd zo, ik houd nog zoveel van;
van de vogels; van water uit een bron;
van wijn in kruiken, koren in de wan;
en van de tempelkoepel in de zon;

van mooi lang haar, en lelies op het veld;
de geur van nardus, en de smaak van zout;
het tere van een lam en het geweld
van golven; en van hout, van alle hout.

Ik houd zo van het breken van een brood;
van kinderen die leunen op mijn knie
en van de aarde als ik sterren zie
en van het heimwee als ik hemel zeg,
van elke grot als van een moederschoot.
En om dat alles wil ik nog niet weg.

Fernando Pessoa


Heb niets in je handen, noch
Een herinnering in de ziel,

Dan zal, wanneer de laatste obool
Men je in de handen legt,

En men je handen openvouwt
Niets je ontvallen.

Welke troon wil men je geven
Die Atropos je niet ontneemt?

Welke lauweren die niet welken
Onder Minos' oordeel?

Welke uren die ook jou niet
Maken tot de schaduw

Die je zijn zult als je gaat
De nacht in en naar 't einde van de weg.

Pluk de bloemen maar laat ze
Los eer je ze hebt bezien.

Ga zitten in de zon. Doe afstand
En wees koning van jezelf.

Tjitske Jansen


Als iemand mij nou maar
had opgeraapt
en in zijn zak gestopt
en daar gelaten had,
dat af en toe een hand mij vond,
voelde hoe zacht ik was
en dan weer losliet.
Of op de vensterbank gelegd,
op 't nachtkastje,
in een rommeldoos.
De keukenla!
Ik heb nog nooit een reis gemaakt,
ik moest zo nodig wortel schieten.
Als iemand mij nou maar had opgeraapt,
er was niets aan de hand geweest,
ik was kastanjebruin geweest,
ik had geglansd, geglansd,
wat later was ik wat gaan rimpelen,
en dan, nou ja, maar nu,
nu moet ik onvrijwillig transformeren
en niet zo n beetje ook.
En steeds als ik zo ongeveer
gewend ben aan mijn nieuwe vorm,
steeds als ik zo min of meer
geaccepteerd heb
dat ik ben zoals ik ben,
dan ben ik alweer anders.
En als het nu zo was dat ik gekozen had
om zo te zijn, dat ik het wilde:
steeds een ring erbij,
zoveel soortgenoten aan mijn takken
in hun veilig stekelhuis,
zo anders dan ikzelf,
maar wat weet ik het nog goed.
Ik heb het opgegeven
te zijn zoals ik ben.
Ik groei maar mee
met wie ik worden zal.
Af en toe hoor ik
Dat iemand zegt
Hoe mooi ik ben.
In mijn schaduw
gebeuren dingen
die de moeite waard zijn.

J.C. Bloem

Herinnering

De gloeiende avond in de kleine stad:
Verlichte ramen stonden ruisend open
Naar zomertuinen en het langzaam lopen
Van de geliefden langs het grijze pad.

Als dit geheime ooit wéér te leven was:
Hoe dat het zachte licht van een lantaren
Scheen op de donkere, gedempte blaren,
Wist het hart, dat het van den dood genas.

Maar het vergankelijke kent geen keer
Dan in de opstanding der herinneringen;
Gisteren is even ver als deze dingen:
In het verleden is de tijd niet meer.

Toch zullen bij het sluiten van den kring,
Waarin om dreef des levens streng beschikken,
Die als de lucht onhoudbare ogenblikken
Onze enige eer zijn en rechtvaardiging.

En zullen we. in de wervling van den tijd
En de vervoeringen, die niet beklijven,
Indachtig aan onze oude dagen blijven
Met het overgankelijke aanhanklijkheid.

Tot aan het zwichten en het laatst getij,
Wanneer de wereld één wordt met het duistren,
En wij de niet te horen woorden fluistren:
Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij.



Emily Dickinson


That it will never come again
Is what makes life so sweet.
Believing what we don't believe
Does not exhilarate.

That if it be, it be at best
An ablative estate—
This instigates an appetite
Precisely opposite.

J.C. Bloem


De Gelatene

Ik open het raam en laat het najaar binnen,
Het onuitsprekelijke, het van weleer
En van altijd. Als ik één ding begeer
Is het: dit tot het laatst beminnen.

Er was in dit leven niet heel veel te winnen.
Het deert mij niet meer. Heen is elk verweer,
Als men zich op het wereldoude zeer
Van de miljarden voor ons gaat bezinnen.

Jeugd is onrustig zijn en een verdwaasd
Hunkren naar onvergankelijke beminden,
En eenzaamheid is dan gemis en pijn.

Dat is voorbij, zoals het leven haast.
Maar in alleen zijn is nu rust te vinden.
En dan: 't had zoveel erger kunnen zijn.

Multatuli


Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb de grote zee gezien aan de Zuidkust, toen ik daar was
met mijn vader om zout te maken.
Als ik sterf op de zee, en men werpt mijn lichaam in het diepe
water, zullen er haaien komen.
Ze zullen rondzwemmen om mijn lijk, en vragen: 'wie van
ons zal het lichaam verslinden, dat daar daalt in het water?'

Ik zal 't niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het huis zien branden van Pa-Ansoe, dat hijzelf had
aangestoken omdat hij mata-glap was.
Als ik sterf in een brandend huis, zullen er gloeiende stukken
hout neervallen op mijn lijk.
En buiten het huis zal een groot geroep zijn van mensen, die
water werpen om het vuur te doden.

Ik zal 't niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb de kleine Si-Oenah zien vallen uit de klapa-boom,
toen hij een klapa plukte voor zijn moeder.
Als ik val uit een klapa-boom, zal ik dood nederliggen
aan de voet, in de struiken, als Si-Oenah.
Dan zal mijn moeder niet schreien, want zij is dood. Maar
anderen zullen roepen: 'zie, daar ligt Saïdjah!'
met harde stem.

Ik zal 't niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb het lijk gezien van Pa-Lisoe, die gestorven was van hoge ouderdom, want zijn haren waren wit.
Als ik sterf van ouderdom, met witte haren, zullen de klaag-
vrouwen om mijn lijk staan.
En zij zullen misbaar maken als de klaagvrouwen bij Pa-
lisoe's lijk. En ook de kleinkinderen zullen schreien,
zeer luid.

Ik zal 't niet horen.

Ik weet niet waar ik sterven zal.
Ik heb velen gezien te Badoer, die gestorven waren. Men
kleedde hen in een wit kleed, en begroef hen in de grond.
Als ik sterf te Badoer, en men begraaft mij buiten de desa,
oostwaarts tegen de heuvel, waar 't gras hoog is...
Dan zal Adinda daar voorbijgaan, en de rand van haar sarong
zal zachtkens voortschuiven langs het gras...

Ik zal het horen.

oktober 1859