Fernando Pessoa (1888 - 1935)

Geen plichten hebben, geen vaste uren, geen werkelijkheden
Een menselijke vogel zijn
Die halcyonisch zweeft boven de onverzoenlijkheid der wereld -
Zijn nachtelijke brood verdiend met het zweet van andermans aanschijn -
Triest manusje-van-alles
In het Colloseum van tranen,
En antieke comperè, iets gevulder dan Venus van Milo,
In de broosheid der toevalligheden,
En een beetje zon, tenminste, voor de dromen waarin ik niet leef.



J.A. Emmens (1924 - 1971)

Binnen dit leven voortdurend bezig
angstig te zoeken naar restanten
van een ander leven,
maar tekens van weerzin en wanhoop,
een vuilnisbelt, een oude teddybeer,
beheersen het landschap.
Er is moed voor nodig om te beginnen,
het gezicht van aarde hoopvol te vinden,
de ochtend een gelegenheid.


J.A. Emmens (1924 - 1971)

't Gras is gemaaid, de bloemen staan op stelen,
de blaren hangen keurig aan de boom.
De een heeft een huisdier wat te bevelen,
iemand te strelen, iemand te slaan,
de ander zichzelf om mee om te gaan.


Zbigniew Herbert (1924 - 1998)

Natuurlijk
Zij die boven aan de trap staan
Zij weten
Zij weten alles

anders dan wij
vegers van pleinen ...

Soms dromen we
dat zij van boven aan de trap
diep afdalen
dat wil zeggen tot ons ...

dat zijn natuurlijk dromen
zij kunnen waarheid worden
of niet (...)


Robert Herrick (1591 - 1674)

To Fortune 

Tumble me down, and I will sit
Upon my ruins, smiling yet;
Tear me to tatters, yet I'll be
Patient in my necessity.
Laugh at my scraps of clothes, and shun
Me, as a fear'd infection;
Yet, scare-crow-like, I'll walk as one
Neglecting thy derision. 


Adam Mickiewicz, 1798 - 1855

Ik geef mijn paard de sporen en jaag het door de stormen;
Bossen, valleien, rotsen, opvolgend, in een stortvloed
Zij schieten langs mijn benen terwijl ik razend voort moet;
'k Wil mijn geest verliezen, in deze kolk van vormen.

En als 't onwillig paard aan mijn bevel wil tornen,
De bonte wereld kleur verliest in het dodelijk duister,
Zien mijn brandende ogen, als gebroken spiegels ontluisterd
In 't gestorven bos slechts het gekruip van wormen.

Stilte nu, ik vat geen slaap, ik zoek de rust aan 't strand
Donker en krom gebogen raast een golf naar voren,
Ik richt naar haar mijn blik, ik reik naar haar mijn hand,

Dan slaat zij op mijn ogen, 't schuim spoelt in mijn oren;
Ik wacht; als een bootje door een maalstroom overmand,
Heeft nu mijn geest even de herinnering verloren.


Paul Eluard (1895 - 1952)

Your voice, your eyes
your hands, your lips
Our silences, our words
Light that goes
light that returns
A single smile between us both
In quest of knowledge
I watched night create day
while we seemed unchanged
beloved of all, beloved of one alone
your mouth silently promised to be happy
Away, away, says hate
never, never, says love
A caress leads us from our childhood
Increasingly I see the human form
as a lover’s dialogue
The heart has but one mouth
Everything ordered by chance
All words without aforethought
Sentiments adrift
Men roam the city
A glance, a word
Because I love you
Everything moves
To live, only advance!
Aim straight for those you love
I went towards you, endlessly towards the light
If you smile, it is to enfold me all the better
The rays of your arms pierce the mist



Ik ben voor bijna alles bang geweest:
voor ’t donker, voor figuren op het kleed
voor stilte, voor de schorre kreet
van de avondlijke venter, voor een feest,
voor kijken in de tram en voor mezelf.
Dat zijn nu angsten, die ik wel vertrouw
Er is één ding gekomen, dat ik boven alles vrees
en dat mij kan vernietigen; dat ik bedelf
onder een vracht van rede, tot het wederkeert:
dat is het nuchtere gezicht van mijn mevrouw
wanneer zij ’s morgens in de kamer treedt
samen met het ontluisterd licht en dat ik weet
wat ze zal zeggen: nog geen brief, juffrouw.



Edna St. Vincent Millay (1892 - 1950)

Als ik te lang gezeten had bij jou,
te weerloos en te dicht tegen je aan,
wist ik dat ik vlug weg moest daarvandaan,
want van te grote warmte krijg je gauwer kou.


En als ik langer dan een mens verdragen kon
gekeken had naar jou, zo mooi en zo stralend klaar
dan ging ik duizelen en werd ik raar
zoals van te lang kijken naar de zon.


Dus zit ik nu weer op mijn ouwe kamer
waar alles donker is en koud en klein,
rondtastend naar mijn dingen, bedachtzamer
omdat ze me vervreemd geworden zijn.
Ik zoek mijn weg, hou halt en luister
tot ik weer gewoon word aan het duister.




Armando

Er hangt er heerst
een vluchtig verlangen
naar spijt, naar
wazige vragen,
naar geborgenheid 


Leo Vroman (1915-2014)

Als ik morgen niet opsta
moet je niet schrikken:
per slot, elke opera
en alle toneelstukken
hebben hun ogenblikken,
het vallen van gordijnen
of andere ongelukken.
Dit is dan het mijne.

Sluit dus mijn gezicht,
doe die mond en twee ogen
maar netjes dicht
en ik ben voltooid.

Laat zo maar gaan,
en die oren mogen
nog openstaan,
want je weet nooit


Adriaan Roland Holst (1888 - 1976)


Toen er niets meer dan afbraak overbleef
deed hij de glazen deuren langzaam open
en trad naar buiten en dacht: ik weerstreef
niet meer en zie van hopen en wanhopen
af nu het graf mij wacht. Ik heb geleefd,
gedronken en gegeten wat ik wilde
en alles wat ik in de avond schreef
blijft naast mij.




Edna St. Vincent Millay (1892 - 1950)


Eel-Grass

No matter what I say,
All that I really love
Is the rain that flattens on the bay,
And the eel-grass in the cove;
The jingle-shells that lie and bleach
At the tide-line, and the trace
Of higher tides along the beach:
Nothing in this place.



Fernando Pessoa

Follow your nose,
Water your plants,
Love your roses.
All else is the shade
Of alien wildwood.

Always the actual
Either more, or less
Than what we wish.
We only are
Selfsame to ourself.

Sweetest to live alone.
Grand and golden
Plainly to live.
Lay pain upon altars
Ex voto to the gods.

View life at a distance
With never a question.
There's nothing it can
Tell you. The answer
Is beyond the gods.

But unperturbed
Emulate Olympus
In your heart.
The gods are gods because
They do not heed.


Volg je lotsbestemming,
Geef je planten water,
Heb je rozen lief.
De rest is slechts de schaduw
Van onbekende bomen.

De werk’lijkheid is altijd
Hetzij meer of minder
Dan dat wat wij willen.
Wij alleen zijn altijd
Aan onszelf gelijk.

Volg je lotsbestemming,
Heb je rozen lief.
Volg je lotsbestemming,
Met heel je hart.

’t Is zacht alleen te leven.
En altijd groot en nobel
Is in eenvoud leven.
Laat je smart op ’t altaar
Als offer aan de goden.

Zie van ver het leven.
Stel het nimmer vragen.
Het zal jou niets kunnen
Zeggen. Want het anwoord
Ligt voorbij de Goden.

Maar doe in je hart,
In gelijkmoedigheid,
Als goden op de Olympus.
Want een god is god
Omdat hij zich niet denkt.

Vertaling: August Willemsen




Paul Eluard (1895 - 1952)

Wat ben ik blij dat ik je nog niet ken.
Ik dank de sterren en de maan
dat iedereen die komt en gaat
de diepste sporen achterlaat, behalve jij,
dat jij mijn deuren, dicht of open,
steeds voorbijgelopen bent.

Het is maar goed dat je me niet herkent.
Kussen onder straatlantaarns
en samen dwalen door de regen,
wéér verliefd zijn, wéér verliezen,
bijna sterven van verdriet -
dat hoeft nu allemaal nog niet.

Ik ben nog niet aan ons gehecht.
Ik kijk bepaald niet naar je uit.
Neem de tijd, als je dat wilt.
Wacht een maand, een jaar,
de eeuwigheid en één seconde meer -
maar kom, voor ik mijn ogen sluit.



Paul Eluard (1895 - 1952)

Ik houd van je om alle vrouwen die ik niet heb gekend
Ik houd van je om alle tijden dat ik niet heb geleefd
Om de geur van het ruime sop en de geur van warm brood
Om de sneeuw die smelt om de eerste bloemen
Om de zuivere dieren die de mens niet verschrikt
Ik houd van je om lief te hebben
Ik houd van je om alle vrouwen die ik niet liefheb

Wie anders spiegelt mij dan jij zelf zie ik mij amper
Zonder jou zie ik enkel een verlaten vlakte
Tussen vroeger en vandaag
Waren al die doden waar ik doorheen loop op stro
Ik kon geen gat in de muur van mijn spiegel boren
Ik moest het leven leren woord voor woord
Zoals men vergeet

Ik houd van je om jouw wijsheid die niet van mij is
Om de gezondheid
Ik houd van je ondanks alles dat enkel illusie is
Om het onsterfelijke hart dat ik niet beheer
Je meent twijfel te zijn en je bent slechts rede
Je bent de grote zon die mij naar het hoofd stijgt
Als ik zeker ben van mezelf.




Hans Warren (1921 - 2001)

Met zoveel liefde heb ik van je gehouden
dat, nu ik bijna je vergeten ben,
het zeggen van je naam mij is gebleven
een liefkozing, waar ik dagen op kan leven.

En dit is de liefste herinnering:
hoe op het plein, een honinglied van linden,
vanuit de schaduw over witte straten
je aan kwam lopen. Speelse zomerwinden


sloegen de gele zijde van je kleed
tegen je ranke lichaam, en je ogen
waren van heimwee raadselig verwijd.
Hoevele zomers zijn sindsdien vervlogen.


Met zoveel liefde toch heb ik van je gehouden
dat, nu ik bijna je vergeten ben,
het een liefkozing der lippen is gebleven
je naam te zeggen als ik eenzaam ben.



M. Vasalis (1909-1998)

Soms, als gij zwijgt en uit het venster schouwt,
grijpt mij uw schoonheid als een wanhoop aan,
een wanhoop door geen troost te blussen,
niet door te spreken, niet door te kussen,
even groot als mijn bestaan, en even oud.

Dat ik u zien moet en u niet kan zijn,
van u gescheiden door mijn eigen ogen,
dat gij daar zit, zo buiten mij geboren,
het dot als een geboorte pijn.

Wanneer gij zwijgt en uit het venster ziet
komt soms de wind en hij beweegt uw haren,
die aan de boorden van uw voorhoofd staan
als aan stilstaand water oeverriet.
Soms komt een wolk de hemel langs gevaren,
ik zie de schaduwen over uw ogen gaan.

Dan is het mij alsof gij eeuwig zijt,
of ik maar even bij u leven mag,
alsof mijn tijdelijkheid mij van u scheidt,
dan wendt uw hoofd zich om, ik zie uw lach.



Anna RF

I'm running to the fire
Like a mad man standing alone
Hiding from the time
I must take it higher
Don't care to lose in your game
Don't wanna be the prime
Forget the messiah
Cause you are the one
That would save you from yourself
My only desire is
to live to laugh to love
I have nothing in this race

If you fight
You will never win
Don't believe what you never have seen




Osip Mandelstam (1891-1938)

Zo scherp als ranke wespen kunnen zien
die aan de aardas, aan de aardas zuigen,
speur ik mijn tijdperk, kan er bovendien
om niet en uit het hoofd nog van getuigen...
  
Ik zing niet, heb in schilderen geen zin,
de zwartgestemde strijkstok ligt terzijde:
ik drink alleen het leven gulzig in
en mag de sluwe wespen graag benijden.

O dat het ooit gegeven wordt aan mij,
in zinderende zomergloed verloren,
aan slaap en droom en dood voorgoed voorbij,
de aardas en haar wenteling te horen...