M. Vasalis (1909-1998)

Soms, als gij zwijgt en uit het venster schouwt,
grijpt mij uw schoonheid als een wanhoop aan,
een wanhoop door geen troost te blussen,
niet door te spreken, niet door te kussen,
even groot als mijn bestaan, en even oud.

Dat ik u zien moet en u niet kan zijn,
van u gescheiden door mijn eigen ogen,
dat gij daar zit, zo buiten mij geboren,
het dot als een geboorte pijn.

Wanneer gij zwijgt en uit het venster ziet
komt soms de wind en hij beweegt uw haren,
die aan de boorden van uw voorhoofd staan
als aan stilstaand water oeverriet.
Soms komt een wolk de hemel langs gevaren,
ik zie de schaduwen over uw ogen gaan.

Dan is het mij alsof gij eeuwig zijt,
of ik maar even bij u leven mag,
alsof mijn tijdelijkheid mij van u scheidt,
dan wendt uw hoofd zich om, ik zie uw lach.



Anna RF

I'm running to the fire
Like a mad man standing alone
Hiding from the time
I must take it higher
Don't care to lose in your game
Don't wanna be the prime
Forget the messiah
Cause you are the one
That would save you from yourself
My only desire is
to live to laugh to love
I have nothing in this race

If you fight
You will never win
Don't believe what you never have seen




Osip Mandelstam (1891-1938)

Zo scherp als ranke wespen kunnen zien
die aan de aardas, aan de aardas zuigen,
speur ik mijn tijdperk, kan er bovendien
om niet en uit het hoofd nog van getuigen...
  
Ik zing niet, heb in schilderen geen zin,
de zwartgestemde strijkstok ligt terzijde:
ik drink alleen het leven gulzig in
en mag de sluwe wespen graag benijden.

O dat het ooit gegeven wordt aan mij,
in zinderende zomergloed verloren,
aan slaap en droom en dood voorgoed voorbij,
de aardas en haar wenteling te horen...


Osip Mandelstam (1891-1938)

Ik ben voor het verhevene beducht, 
een soort van hoogtevrees waaraan ik lijd.
Voor mij volstaat een zwaluw in de lucht,
een klokkentoren die de wolken splijt!

Op houtwerk dat een afgrond overbrugt
hoor ik, voetganger van vervlogen tijd,
behalve een aanzwellend sneeuwgerucht
de stenen klokslag van de eeuwigheid.

Maar toch zal ik die reiziger niet zijn
die langs het uitgebloeide lover schiet,
en in mij zingt oprecht gevoelde pijn.

Heus, een lawine is in het verschiet! 
En hoe ik ook van klokgegalm geniet,
muziek behoedt je niet voor een ravijn.


Nikolai Nekrasov (1821-1878)

Ik had een droom, ik wilde springen
Vanaf een steile rots in zee,
Toen hoorde ik een engel zingen,
Een prachtig lied van licht en vree:
'Wacht, in de lente zal ik komen!
De nevel in uw hoofd verdwijnt,
De slaap wordt van uw oog genomen,
En zie: de nieuwe mens verschijnt.
De muze zal ik haar stem hergeven,
Een nieuw geluk zei u voorspeld,
Een rijke oogst zult gij beleven
Van uw nog ongedorste veld'.


Osip Mandelstam (1891-1938)

Tederder dan teder
je lief gelaat,
breekbaarder dan breekbaar
je bleke hand,
ver van heel de wereld
houd jij je staand,
en hoe je bent
viel niet af te wenden.

Ook niet af te wenden
is je verdriet,
de vingers, rank,
van je warme handen,
de zachte klank
van wat jij manhaftig
ter sprake brengt,
het ver verschiet
waaraan je denkt...


Osip Mandelstam (1891-1938)

Wind strijkt door mijn schaarse haren, 
Nu nog biechten heeft geen pas,
Hakken slijten met de jaren -
Zo deed tijd met wat ik was.

't Leven komt zichzelf te boven,
Klank verliest zijn helderheid,
Iets ontbreek onafgebroken,
Voor herinneren geen tijd.

Neergang kun je niet ontkomen,
En ik merk het keer op keer,
Hoe jij vroeger placht te stromen,
Bloed, zo stroom je nu niet meer.

Het bewegen van mijn lippen
Is dus niets voor niets geweest,
Niet in staat de bijl te ontglippen,
Viert een boomtop moedig feest.


A.E. Housman (1859-1936)

’Tis spring; come out to ramble
The hilly brakes around,
For under thorn and bramble
About the hollow ground
The primroses are found.

And there’s the windflower chilly
With all the winds at play,
And there’s the Lenten lily
That has not long to stay
And dies on Easter day.

And since till girls go maying
You find the primrose still,
And find the windflower playing
With every wind at will,
But not the daffodil,

Bring baskets now, and sally
Upon the spring’s array,
And bear from hill and valley
The daffodil away
That dies on Easter day.

't Is Lente! Weg die luiken!
De velden in! Kom op!
Daar, naast en onder struiken
van dal tot heuveltop
staan primula’s in knop.

Primula’s, anemonen
ravotten in de wind
met vastenavondkronen
die man of vrouw of kind
met pasen niet meer vindt.

In mei, als meisjes strelen,
zien we nog keer op keer
de lentebloemen spelen
in alle wind en weer,
maar narcissen niet meer.

Dus nú! Trek nú ten aanval
op wat de lente heeft.
Pluk nú wat kort bestaan zal.
Néém wat de narcis geeft
die maar tot pasen leeft! 



Fernando Pessoa (1888-1935)

Aan de vooravond van nooit vertrekken
Hoeft men teminste geen koffers te pakken
Noch plannen op papier te zetten,
Met onbedoelde begeleiding van wat men vergeet,
Voor het vertrek, vrijblijvend nog, de dag daarop.
Men hoeft niets, niets te doen
Aan de vooravond van nooit vertrekken.
Welk een rust niets meer te hebben om van uit te rusten!
Grote gemoedsrust, de gemoedsrust zelfs geen schouderophaal op te brengen
Voor dit alles, alles al gedacht te hebben,
Is het, welbewust te zijn beland bij niets.
Grote vreugde als geen vreugde meer van node is:
Een omgekeerde buitenkans.
Hoe vele malen lang reeds leef ik
Het vegatieve leven van het denken!
Alle dagen,sine linea,
Rust in ruste, rust...
Grote gemoedsrust...
Welk een vrede, na zo vele reizen, geestelijke en lichamelijke!
Hoe heerlijk kijken is het naar de koffers, starend als naar niets!
Sluimer, mijn ziel, sluimer!
Grijp je kans en sluimer!
Sluimer!
Kort is de tijd die je gegund is! Sluimer!
het is de vooravond van nooit vertrekken!


Ellen Warmond (1930-2011)

LAO TSE IN ZAKFORMAAT 

Alles is mogelijk maar
men moet niets willen 
geen stampende lans naar de kans
men moet niet willen maar weten

en het is mogelijk
dat wij het weten leren
maar het is uiterst 
onwaarschijnlijk



Gerrit Achterberg (1905-1962)

Een lichaam, blind van slaap.
Staat in mijn armen op.
Ik voel hoe zwaar het gaat.
Dodenpop.
Ik ben een eeuwigheid te laat.
Waar is je hartenklop?

De dikke nacht houdt ons bijeen
en maakt ons met elkaar compact.
'Om Godswil laat me niet los,
mijn benen zijn geknakt',
fluister je aan mijn borst.

Het is of ik de aarde tors.
En langzaam kruipt de mos
over ons standbeeld heen.


Wislawa Szymborska (1923-2012)

Hij heeft zijn zinnen op het geluk gezet 
en op de waarheid 
en de eeuwigheid, 
kijk hem eens!


Ida Gerhardt (1905 - 1997)

Men zette op de boerderij
in de opkamer het bed voor mij.

En daar ik vreemd ben aan hun taal
brengt men mij zwijgende het maal.

Ik ben alleen: een eenzaamheid
die tot in huid en haren bijt.

Het licht verschuift aan het beschot.
Ik worstel zwijgende met God.


Rutger Kopland (1934 - 2012)

Weggaan is iets anders 
dan het huis uitsluipen
zacht de deur dichttrekken
achter je bestaan en niet
terugkeren. Je blijft 
iemand op wie wordt gewacht.

Weggaan kun je beschrijven als 
een soort van blijven. Niemand 
wacht want je bent er nog. 
Niemand neemt afscheid 
want je gaat niet weg.


Paul van Vliet

Maar soms dan is daar iemand bij 
Die denkt: Nee dit is niets voor mij 
Die gaat daar uit en stapt opzij 
Die maakt zich los en voelt zich vrij 

Van alles wat verstikking geeft 
Van de grauwe sleur waarin hij leeft 
Zodat hij weer toekomst heeft. 

Misschien komt hij alleen te staan 
Maar overleven is voortaan 
Zijn eigenwijze weg te gaan 
Zijn optocht door de tijd! 



Leo Vroman (1915 - 2014)

Als ik morgen niet opsta,
Moet je niet schrikken.
Per slot, elke opera
en alle toneelstukken
hebben hun ogenblikken,
het vallen van gordijnen
of andere ongelukken,
dit is dan het mijne.

Sluit dus mijn gezicht,
doe die mond en twee ogen
maar netjes dicht
en ik ben voltooid.

Laat zo maar gaan,
en die oren mogen
nog openstaan,
want je weet nooit.



Sir Walter Raleigh (1554?–1618)

What is our life? The play of passion.
Our mirth? The music of division:
Our mothers’ wombs the tiring-houses be,
Where we are dressed for life’s short comedy.
The earth the stage; Heaven the spectator is,
Who sits and views whosoe’er doth act amiss.
The graves which hide us from the scorching sun
Are like drawn curtains when the play is done.
Thus playing post we to our latest rest,
And then we die in earnest, not in jest.



M. Vasalis (1909 – 1998)

De zomerwei des ochtends vroeg.
En op een zuchtje dat hem droeg
vliegt een geel vlindertje voorbij.
Heer, had het hierbij maar gelaten.




Fernando Pessoa (1888-1935)

Er zijn ziekten erger dan ziekten, 
Er zijn pijnen die geen pijn doen, zelfs niet in de ziel, 
Maar pijnlijker dan alle andere. 
Er zijn gedroomde angsten, werk’lijker 
Dan die welke het leven met zich brengt, er zijn gevoelens 
Die men voelt alleen door ze te denken 
En die meer de onze zijn dan ’t leven zelf. 
Er zijn zo vele dingen die, zonder bestaan, 
Bestaan, die tergend traag bestaan 
En tergend traag de onze zijn, de onze en onszelf ... 
Boven het troebel groen van de brede rivier 
De witte circumflexen van de meeuwen ... 
Boven de ziel de nutteloze wiekslag 
Van wat niet was, ook niet kon zijn, en alles is. 
Geef mij nog wat wijn, want het leven is niets. 



Gili Haimovich

The Dragonfly

I’m ashamed to say it but
The wings of the dragonfly I was
Were made of glass.
Her delicate but roachy body buzzed
In a pleasant yet mechanical way.


I’m ashamed to look at her because I believe it’s still possible
to see her there.
Between you and me,
what blew her cover were the wings attached to her small body
not the bolt,
but the usual flesh and bones and muscles
flapping with the energy of a female.