Leo Vroman (1915-2014)

Als ik morgen niet opsta
moet je niet schrikken:
per slot, elke opera
en alle toneelstukken
hebben hun ogenblikken,
het vallen van gordijnen
of andere ongelukken.
Dit is dan het mijne.

Sluit dus mijn gezicht,
doe die mond en twee ogen
maar netjes dicht
en ik ben voltooid.

Laat zo maar gaan,
en die oren mogen
nog openstaan,
want je weet nooit


Adriaan Roland Holst (1888 - 1976)


Toen er niets meer dan afbraak overbleef
deed hij de glazen deuren langzaam open
en trad naar buiten en dacht: ik weerstreef
niet meer en zie van hopen en wanhopen
af nu het graf mij wacht. Ik heb geleefd,
gedronken en gegeten wat ik wilde
en alles wat ik in de avond schreef
blijft naast mij.




Edna St. Vincent Millay (1892 - 1950)


Eel-Grass

No matter what I say,
All that I really love
Is the rain that flattens on the bay,
And the eel-grass in the cove;
The jingle-shells that lie and bleach
At the tide-line, and the trace
Of higher tides along the beach:
Nothing in this place.



Fernando Pessoa

Follow your nose,
Water your plants,
Love your roses.
All else is the shade
Of alien wildwood.

Always the actual
Either more, or less
Than what we wish.
We only are
Selfsame to ourself.

Sweetest to live alone.
Grand and golden
Plainly to live.
Lay pain upon altars
Ex voto to the gods.

View life at a distance
With never a question.
There's nothing it can
Tell you. The answer
Is beyond the gods.

But unperturbed
Emulate Olympus
In your heart.
The gods are gods because
They do not heed.


Volg je lotsbestemming,
Geef je planten water,
Heb je rozen lief.
De rest is slechts de schaduw
Van onbekende bomen.

De werk’lijkheid is altijd
Hetzij meer of minder
Dan dat wat wij willen.
Wij alleen zijn altijd
Aan onszelf gelijk.

Volg je lotsbestemming,
Heb je rozen lief.
Volg je lotsbestemming,
Met heel je hart.

’t Is zacht alleen te leven.
En altijd groot en nobel
Is in eenvoud leven.
Laat je smart op ’t altaar
Als offer aan de goden.

Zie van ver het leven.
Stel het nimmer vragen.
Het zal jou niets kunnen
Zeggen. Want het anwoord
Ligt voorbij de Goden.

Maar doe in je hart,
In gelijkmoedigheid,
Als goden op de Olympus.
Want een god is god
Omdat hij zich niet denkt.

Vertaling: August Willemsen




Paul Eluard (1895 - 1952)

Wat ben ik blij dat ik je nog niet ken.
Ik dank de sterren en de maan
dat iedereen die komt en gaat
de diepste sporen achterlaat, behalve jij,
dat jij mijn deuren, dicht of open,
steeds voorbijgelopen bent.

Het is maar goed dat je me niet herkent.
Kussen onder straatlantaarns
en samen dwalen door de regen,
wéér verliefd zijn, wéér verliezen,
bijna sterven van verdriet -
dat hoeft nu allemaal nog niet.

Ik ben nog niet aan ons gehecht.
Ik kijk bepaald niet naar je uit.
Neem de tijd, als je dat wilt.
Wacht een maand, een jaar,
de eeuwigheid en één seconde meer -
maar kom, voor ik mijn ogen sluit.



Paul Eluard (1895 - 1952)

Ik houd van je om alle vrouwen die ik niet heb gekend
Ik houd van je om alle tijden dat ik niet heb geleefd
Om de geur van het ruime sop en de geur van warm brood
Om de sneeuw die smelt om de eerste bloemen
Om de zuivere dieren die de mens niet verschrikt
Ik houd van je om lief te hebben
Ik houd van je om alle vrouwen die ik niet liefheb

Wie anders spiegelt mij dan jij zelf zie ik mij amper
Zonder jou zie ik enkel een verlaten vlakte
Tussen vroeger en vandaag
Waren al die doden waar ik doorheen loop op stro
Ik kon geen gat in de muur van mijn spiegel boren
Ik moest het leven leren woord voor woord
Zoals men vergeet

Ik houd van je om jouw wijsheid die niet van mij is
Om de gezondheid
Ik houd van je ondanks alles dat enkel illusie is
Om het onsterfelijke hart dat ik niet beheer
Je meent twijfel te zijn en je bent slechts rede
Je bent de grote zon die mij naar het hoofd stijgt
Als ik zeker ben van mezelf.




Hans Warren (1921 - 2001)

Met zoveel liefde heb ik van je gehouden
dat, nu ik bijna je vergeten ben,
het zeggen van je naam mij is gebleven
een liefkozing, waar ik dagen op kan leven.

En dit is de liefste herinnering:
hoe op het plein, een honinglied van linden,
vanuit de schaduw over witte straten
je aan kwam lopen. Speelse zomerwinden


sloegen de gele zijde van je kleed
tegen je ranke lichaam, en je ogen
waren van heimwee raadselig verwijd.
Hoevele zomers zijn sindsdien vervlogen.


Met zoveel liefde toch heb ik van je gehouden
dat, nu ik bijna je vergeten ben,
het een liefkozing der lippen is gebleven
je naam te zeggen als ik eenzaam ben.



M. Vasalis (1909-1998)

Soms, als gij zwijgt en uit het venster schouwt,
grijpt mij uw schoonheid als een wanhoop aan,
een wanhoop door geen troost te blussen,
niet door te spreken, niet door te kussen,
even groot als mijn bestaan, en even oud.

Dat ik u zien moet en u niet kan zijn,
van u gescheiden door mijn eigen ogen,
dat gij daar zit, zo buiten mij geboren,
het dot als een geboorte pijn.

Wanneer gij zwijgt en uit het venster ziet
komt soms de wind en hij beweegt uw haren,
die aan de boorden van uw voorhoofd staan
als aan stilstaand water oeverriet.
Soms komt een wolk de hemel langs gevaren,
ik zie de schaduwen over uw ogen gaan.

Dan is het mij alsof gij eeuwig zijt,
of ik maar even bij u leven mag,
alsof mijn tijdelijkheid mij van u scheidt,
dan wendt uw hoofd zich om, ik zie uw lach.



Anna RF

I'm running to the fire
Like a mad man standing alone
Hiding from the time
I must take it higher
Don't care to lose in your game
Don't wanna be the prime
Forget the messiah
Cause you are the one
That would save you from yourself
My only desire is
to live to laugh to love
I have nothing in this race

If you fight
You will never win
Don't believe what you never have seen




Osip Mandelstam (1891-1938)

Zo scherp als ranke wespen kunnen zien
die aan de aardas, aan de aardas zuigen,
speur ik mijn tijdperk, kan er bovendien
om niet en uit het hoofd nog van getuigen...
  
Ik zing niet, heb in schilderen geen zin,
de zwartgestemde strijkstok ligt terzijde:
ik drink alleen het leven gulzig in
en mag de sluwe wespen graag benijden.

O dat het ooit gegeven wordt aan mij,
in zinderende zomergloed verloren,
aan slaap en droom en dood voorgoed voorbij,
de aardas en haar wenteling te horen...


Osip Mandelstam (1891-1938)

Ik ben voor het verhevene beducht, 
een soort van hoogtevrees waaraan ik lijd.
Voor mij volstaat een zwaluw in de lucht,
een klokkentoren die de wolken splijt!

Op houtwerk dat een afgrond overbrugt
hoor ik, voetganger van vervlogen tijd,
behalve een aanzwellend sneeuwgerucht
de stenen klokslag van de eeuwigheid.

Maar toch zal ik die reiziger niet zijn
die langs het uitgebloeide lover schiet,
en in mij zingt oprecht gevoelde pijn.

Heus, een lawine is in het verschiet! 
En hoe ik ook van klokgegalm geniet,
muziek behoedt je niet voor een ravijn.


Nikolai Nekrasov (1821-1878)

Ik had een droom, ik wilde springen
Vanaf een steile rots in zee,
Toen hoorde ik een engel zingen,
Een prachtig lied van licht en vree:
'Wacht, in de lente zal ik komen!
De nevel in uw hoofd verdwijnt,
De slaap wordt van uw oog genomen,
En zie: de nieuwe mens verschijnt.
De muze zal ik haar stem hergeven,
Een nieuw geluk zei u voorspeld,
Een rijke oogst zult gij beleven
Van uw nog ongedorste veld'.


Osip Mandelstam (1891-1938)

Tederder dan teder
je lief gelaat,
breekbaarder dan breekbaar
je bleke hand,
ver van heel de wereld
houd jij je staand,
en hoe je bent
viel niet af te wenden.

Ook niet af te wenden
is je verdriet,
de vingers, rank,
van je warme handen,
de zachte klank
van wat jij manhaftig
ter sprake brengt,
het ver verschiet
waaraan je denkt...


Osip Mandelstam (1891-1938)

Wind strijkt door mijn schaarse haren, 
Nu nog biechten heeft geen pas,
Hakken slijten met de jaren -
Zo deed tijd met wat ik was.

't Leven komt zichzelf te boven,
Klank verliest zijn helderheid,
Iets ontbreek onafgebroken,
Voor herinneren geen tijd.

Neergang kun je niet ontkomen,
En ik merk het keer op keer,
Hoe jij vroeger placht te stromen,
Bloed, zo stroom je nu niet meer.

Het bewegen van mijn lippen
Is dus niets voor niets geweest,
Niet in staat de bijl te ontglippen,
Viert een boomtop moedig feest.


A.E. Housman (1859-1936)

’Tis spring; come out to ramble
The hilly brakes around,
For under thorn and bramble
About the hollow ground
The primroses are found.

And there’s the windflower chilly
With all the winds at play,
And there’s the Lenten lily
That has not long to stay
And dies on Easter day.

And since till girls go maying
You find the primrose still,
And find the windflower playing
With every wind at will,
But not the daffodil,

Bring baskets now, and sally
Upon the spring’s array,
And bear from hill and valley
The daffodil away
That dies on Easter day.

't Is Lente! Weg die luiken!
De velden in! Kom op!
Daar, naast en onder struiken
van dal tot heuveltop
staan primula’s in knop.

Primula’s, anemonen
ravotten in de wind
met vastenavondkronen
die man of vrouw of kind
met pasen niet meer vindt.

In mei, als meisjes strelen,
zien we nog keer op keer
de lentebloemen spelen
in alle wind en weer,
maar narcissen niet meer.

Dus nú! Trek nú ten aanval
op wat de lente heeft.
Pluk nú wat kort bestaan zal.
Néém wat de narcis geeft
die maar tot pasen leeft! 



Fernando Pessoa (1888-1935)

Aan de vooravond van nooit vertrekken
Hoeft men teminste geen koffers te pakken
Noch plannen op papier te zetten,
Met onbedoelde begeleiding van wat men vergeet,
Voor het vertrek, vrijblijvend nog, de dag daarop.
Men hoeft niets, niets te doen
Aan de vooravond van nooit vertrekken.
Welk een rust niets meer te hebben om van uit te rusten!
Grote gemoedsrust, de gemoedsrust zelfs geen schouderophaal op te brengen
Voor dit alles, alles al gedacht te hebben,
Is het, welbewust te zijn beland bij niets.
Grote vreugde als geen vreugde meer van node is:
Een omgekeerde buitenkans.
Hoe vele malen lang reeds leef ik
Het vegatieve leven van het denken!
Alle dagen,sine linea,
Rust in ruste, rust...
Grote gemoedsrust...
Welk een vrede, na zo vele reizen, geestelijke en lichamelijke!
Hoe heerlijk kijken is het naar de koffers, starend als naar niets!
Sluimer, mijn ziel, sluimer!
Grijp je kans en sluimer!
Sluimer!
Kort is de tijd die je gegund is! Sluimer!
het is de vooravond van nooit vertrekken!


Ellen Warmond (1930-2011)

LAO TSE IN ZAKFORMAAT 

Alles is mogelijk maar
men moet niets willen 
geen stampende lans naar de kans
men moet niet willen maar weten

en het is mogelijk
dat wij het weten leren
maar het is uiterst 
onwaarschijnlijk



Gerrit Achterberg (1905-1962)

Een lichaam, blind van slaap.
Staat in mijn armen op.
Ik voel hoe zwaar het gaat.
Dodenpop.
Ik ben een eeuwigheid te laat.
Waar is je hartenklop?

De dikke nacht houdt ons bijeen
en maakt ons met elkaar compact.
'Om Godswil laat me niet los,
mijn benen zijn geknakt',
fluister je aan mijn borst.

Het is of ik de aarde tors.
En langzaam kruipt de mos
over ons standbeeld heen.


Wislawa Szymborska (1923-2012)

Hij heeft zijn zinnen op het geluk gezet 
en op de waarheid 
en de eeuwigheid, 
kijk hem eens!


Ida Gerhardt (1905 - 1997)

Men zette op de boerderij
in de opkamer het bed voor mij.

En daar ik vreemd ben aan hun taal
brengt men mij zwijgende het maal.

Ik ben alleen: een eenzaamheid
die tot in huid en haren bijt.

Het licht verschuift aan het beschot.
Ik worstel zwijgende met God.