Patty Scholten


De dood
 
Die lompe gast zal jou niet overslaan.
Nooit belt hij op en vraagt: "Kom ik gelegen?"
Hij komt te vroeg, te laat, zijn zeis stoot tegen
je lamp of vaas. Hij laat zijn koffie staan.
 
Beloftes worden niet door hem gedaan
en hij zal nooit die knekelvoeten vegen.
Hij wil niet schaken. Er wordt stuurs gezwegen
tot hij je vraagt om met hem mee te gaan.
 
Dat was het dan. Je bent opeens zo moe.
Hij zegt: "Je wist toch dat ik ooit zou komen.
Die lamp, die vaas, die doen er niet meer toe.
 
Kijk niet zo bang. Het sterven doet geen pijn.
Het zal een slapen, slapen zonder dromen,
het zal een slapen zonder weerga zijn."


Ottavio Rinuccini (1562-1621)


Zefiro torna e di soavi accenti
l’aer fa grato e’il pié discioglie a l’onde
e, mormoranda tra le verdi fronde,
fa danzar al bel suon su’l prato i fiori.

Inghirlandato il crin Fillide e Clori
note temprando lor care e gioconde;
e da monti e da valli ime e profond
raddoppian l’armonia gli antri canori.
Sorge più vaga in ciel l’aurora, e’l sole,
sparge più luci d’or; più puro argento
fregia di Teti il bel ceruleo manto.

Sol io, per selve abbandonate e sole,
l’ardor di due begli occhi e’l mio tormento,
come vuol mia ventura, hor piango hor canto.

(translation) 
Return O Zephyr, and with gentle motion
Make pleasant the air and scatter the grasses in waves
And murmuring among the green branches
Make the flowers in the field dance to your sweet sound;

Crown with a garland the heads of Phylla and Chloris
With notes tempered by love and joy,
From mountains and valleys high and deep
And sonorous caves that echo in harmony.
The dawn rises eagerly into the heavens and the sun
Scatters rays of gold, and of the purest silver,
Like embroidery on the cerulean mantle of Thetis.

But I, in abandoned forests, am alone.
The ardour of two beautiful eyes is my torment;
As my Fate wills it, now I weep, now I sing.

Johann von Goethe (1749-1832)


Ach, wie brengt de mooie dagen dagen, 
dagen van de eerste liefde,
wie brengt die volmaakte tijden,
ach, een luttel uurtje weer!

Eenzaam koester ik mijn lijden 
en houd niet meer op te klagen 
om de vreugde van weleer.

Ach, wie brengt de mooie dagen,
die volmaakte tijden weer! 


J.W. von Goethe (1749-1832)


In liefde nabij

Ik denk aan jou, met zon in zee weerschijnend
   op mijn gezicht.
Ik denk aan jou, wanneer het maanlicht kwijnend
   de bron verlicht.

Ik zie je als langs paden, ver gelegen,
   het stof opsteekt,
als 's nachts bij wie zich waagt op smalle wegen
   de angst uitbreekt.

Ik hoor je telkens als met woest gedonder
   de golfslag smoort.
Ik luister graag in stille wouden, zonder
   dat iets me stoort.

Samen zijn wij, al ben je nog zo verre,
   dicht bij elkaar.
De zon daalt. Weldra fonkelen de sterren.
Was jij er maar!


Apollon Grigoriev (1822 - 1864)


Gevecht

Nee, ik houd niet, ik houd niet van haar...
't Is de macht van 't gewone verlangen!
Maar hoe komt het dan dat ik haar woorden wil vangen,
En met heimlijke schrik naar haar staar?

Waarom word ik door 't simpele woord
Van dit kind met haar vrouwelijk lachje bewogen,
Wordt mijn rust door de schuchter-nadenkende ogen
Van die ijle verschijning verstoord?

Waarom ben ik toch zo van mijn stuk
Als ik bij haar ben, blij en toch treurig,
waarom beef ik toch onwillekeurig
Bij het afscheid wanneer ik haar hand even druk?

Waarom kijk ik soms naar haar doorschijnende wang
Met een wrok die ik niet kan verklaren?
Waarom ben ik ook af en toe bang
Dat ze als een verschijning ten hemel zal varen?

En ik luister, terwijl ik geboeid naar haar staar,
Naar haar lieflijk gepraat, naar dat kinderlijk zoete;
Waarom zou ik toch bang zijn om haar te ontmoeten?...
Want ik houd niet, ik zweer het, ik houd niet van haar.


Pablo Neruda (1904-1973)



Mocht je me vergeten
wil ik dat
je één ding weet:

Als ik kijk naar de kristalmaan,
de rode tak van trage herfst
bij mijn raam,
als ik, bij het vuur gezeten,
de ongrijpbare as neem
of rimpelig lijf van brandhout,
weet je,
dat alles mij tot jou voert,
alsof alles wat bestaat,
geuren, licht, metalen,
scheepjes zijn die varen
naar jouw eilanden
die me verwachten.

Welnu dan,
als beetje bij beetje
jouw liefde voor mij minder wordt,
zal beetje bij beetje
mijn liefde voor jou minder worden.

Als je me plotseling vergeet,
zoek me niet,
want ik zal je reeds vergeten zijn.

Als je de wind van vlaggen
die door mijn leven waait
waanzinnig en lang vindt,
en je besluit
me aan de oever te laten
van het hart waarin ik wortel
bedenk
dat op die dag, op dat uur,
ik mijn armen op zal heffen,
dat mijn wortels naar buiten komen
om andere grond te zoeken.

Maar als je dag na dag,
uur na uur, voelt
- onverzoenlijk lief -
dat je voor mij bestemd bent,
als, dag na dag, een bloem
aan je lippen ontstijgt
om mij te zoeken,
ach dan, allerliefste,
komt dat vuur weer in mij op,
in mij blust niets
of wordt vergeten,
mijn liefde voedt zich
aan jouw liefde:

zolang je leeft
zal mijn liefde
in jouw armen zijn
zonder mijn armen
te verlaten.




Marina Tsvetajeva (1892-1941)


… Ik zou met u willen leven

In een kleine stad,
Met eeuwige schemering
En eeuwig klokgelui.
En in een kleine herberg -
Het ijle getik
Van een oude pendule - als druppeltjes tijd.
En soms, in de avond, uit een zolderkamer - 
Een fluit,
De fluitist zelf in het raam.
En grote tulpen voor de ramen.
En misschien zou u niet eens van mij houden …

Misschien in de kamer een grote tegelkachel,
Op iedere tegel - een afbeelding:
Een roos - een hart - een schip. - 
En achter het enige raam -
Sneeuw, sneeuw, sneeuw.

Daar zou u dan liggen, - zoals ik u graag zie: loom,
Onverschillig en zorgeloos.
Af en toe het scherpe geknerp
Van een lucifer.
Een sigaret gloeit op en dooft,
En lang - lang beeft aan het eind
Het korte grijze zuiltje van de as.
U bent zelfs te loom om het af te tikken - 
En de hele sigaret vliegt in het vuur.


Margaret Atwood (1939)

Ik zou je graag willen zien slapen,
wat misschien niet gebeurt.
Ik zou je graag willen zien
slapen, ik zou met je willen
slapen, je slaap binnengaan
terwijl zijn donkere gladde golf
over mijn hoofd glijdt

en met je lopen door dat lichtende
wuivende bos van blauwgroene bladeren
met zijn waterige zon en drie manen
naar de grot waarin je moet afdalen
naar je ergste angst.

ik zou je de zilveren tak willen geven,
de kleine witte bloem, het ene
woord dat je zal beschermen
tegen het verdriet in het midden
van je droom, van het verdriet
in het midden. Ik zou je willen volgen,
de lange trap weer op
en de boot worden
die je terug zou roeien
voorzichtig, een vlam
in de kom van twee handen
tot waar je lichaam ligt
naast mij, en je gaat er zo makkelijk
naar binnen als ademde je in.

Ik zou de lucht willen zijn
die je maar heel even
bewoont. Ik zou net zo onopgemerkt willen zijn
en net zo noodzakelijk.


Karolina Pavlova (1807-1893)


Ik stel mij meer dan eens gestrenge vragen,
En onderzoek mijn ziel en zie haar aan;
Vele verlangens heeft zij zien vervagen,
En veel is aan het lot al afgestaan.

Verwonderd denk ik terug, zoals wij allen,
Aan 't voorjaar met zijn overdadigheid,
En dag na dag doet nevelsluiers vallen
Over het Eden van die kindertijd.

Maar binnenin mij groeit met elke nevel
In het geheim een onbekende kracht,
Hoe stralen daar de sterren, feller levend
Naarmate 't duister toeneemt met de nacht.

En ik geloof, dat alles wat wij hopen
Vervuld wordt, zij het anders dan gedacht,
Dat ieder vroeg of laat de ogen opent,
Dat wij ons doel bereiken, onverwacht;

Dat zwakte vals is, net als radeloosheid,
Dat elk gevallen bloempje vruchten draagt,
Dat er verzoening is voor alle boosheid,
Dat er een antwoord is voor elke vraag.



Jan Emmens (1924-1971)

Soms een gevoel het leven te beleven, 
het eindeloze naderen van grote steden 
in treinen die hun loop vertragen, 
en soms alleen maar weerzin te bedwingen 
door fluit te spelen op herinneringen.





Jean Pierre Rawie


De minnaar van een vrouw als u te wezen
is waar ik op mijn oude dag naar haak.
Het is wel gek: U was nog in de maak
toen ik al volop schrijven kon en lezen.

Maar daarvan afgezien, zoals zo vaak
dient er ook een nadeel aangewezen:
het blijft natuurlijk een riskante zaak
de minnaar van een vrouw als u te wezen.

Zo is er concurrentiestrijd te vrezen,
want U valt zeer bij heren in de smaak;
maar zelfs als ik besodemieterd raak,
heb ik nog steeds geen dieper wens dan deze:
de minaar van een vrouw als U te wezen.


Hanny Michaelis


Toen je mij met lichte
vingertoppen behoedzaam
en toegewijd als braille las,
legden leeuwen en tijgers
hun kop op de poten
en sliepen in, slangen rolden
zich op en zelfs de schorpioen
trok zich terug. Verlost
haalde ik adem, ik voelde
je hart tegen het mijne kloppen
en in mijn binnenste werd het stil
als in de lege kerk vlak voor
het ogenblik waarop het orgel
zijn triomfantelijke stem verheft.



Hanny Michaelis (1922-2007)

BEKENTENIS

Al te gewillig liet ik mij verleiden
tot dit bekoorlijk maar gevaarlijk spel
Ik was te roekeloos, ik weet het wel:
ik ben immers de zwakste van ons beiden.

Maar het besprong me, onverhoeds en snel.
Er bleef geen tijd meer om het te vermijden.
Nu kan en wil ik me niet meer bevrijden:

de pijl trof doel, verraderlijk en fel.

Het is te laat, er valt niet meer te kiezen.
Te laat - en in een plotselinge schrik
voel ik - één tel - mijn hart, mijn bloed bevriezen.

Want vroeg of laat, eens komt het ogenblik
dat een van ons dit spel moet gaan verliezen
door te bezwijken voor de ander. - Ik.



Hanny Michaelis (1922-2007)

Niet de tot het breekpunt 
gespannen snaar, de te ver
opgewonden horlogeveer,
het oververhitte glas,
maar het gras dat zich
opricht na de regen, het vuur
onder de sintels, Bouvard
en Pécuchet die als alle
plannen grandioos mislukt zijn
tot zelfmoord toe, de sneeuw
zien smelten, het voorjaar
ruiken en hals over kop
wegdragen naar een nieuw utopia.


Lupercio Leonardo de Argensola (1559 - 1613)

Als het dan toch moet zijn dat ik weer zwicht
voor liefdes schrikbewind en wrede grillen,
en mij opnieuw geheel vergooi ter wille
van dit of dat aanbiddelijk gezicht;

hernieuw het flauwe licht dan in mijn ogen,
maak dan mijn schedel als vanouds behaard,
en laat mijn kaak niet met zo'n grauwe baard.
maar weer met blos en dons zijn overtogen.

Dán zal ik  - als de slang vernieuwd - weer keer
op keer, terwijl ik weer en wind trotseer,
onder haar venster vruchteloos staan smachten.

Maar waar de tijd zonder respijt verstrijkt,
en alles met de tijd veranderd blijkt,
waarom in godsnaam dan niet mijn gedachten?


Michel van der Plas

Ik wou dat ik nog nieuw was als dit blad.
Nog wit. Nog zonder woorden. Een begin.
Nog hoopvol ook ('een wereld vult mij in'),
zonder verdriet en nog niet liefgehad.

Maar er staat al een strofe in mij geprent,
hard; moedeloos: een die ik liefst vergat;
een hoofdstuk waar ik bang voor ben en dat
iedere nieuwe aanvang nu al schent.

Ik wou dat ik nog schreef, en niet meer las.
Ik wou dat ik niet woonde, dat ik liep:

de hemel eindeloos, de dalen diep,
de voeten weg in wilde golven gras.

Dat ik nog worden kon en nooit meer was.
Dat ik een leegte wist waarvoor ik schiep. 


J.C. Bloem (1887-1966)

Troost des donkers

Te midden der gezelligen gezeten
Bij de vertrouwdheid van den rossen haard -
Wat is het, dat ik mij opeens versmeten
Gevoel, en van een wegende' angst bezwaard?

Wat is het, dat ik bij het schertsend praten
Mijn mond niet meer kan plooien tot een lach,
En dat mij uitjaagt langs de barre straten,
Beladen met den zwaren winterdag?

Ik was toch nooit van hen die 't leven smaden,
Wier droom zich niet van de eigen laagheid keert,
Ik heb altijd, in dichten en in daden,
De ontstuimigheid van dit bestaan begeerd.

Maar o de zwakke en bittere ogenblikken,
Als ik de kracht tot strijden voel vergaan,
Als 't in mij opstormt en mij wil verstikken:
Heel de versmaadheid van dit aards bestaan.

Dan kan ik hun niet langer toebehoren,
Licht-levenden, vervreemd van droom en gloed,
In 't zonnig ijs van het geluk bevroren
Tot rustgen, die geen smart zelfs lijden doet.

Zo vlucht ik dan en zoek de stille wegen
Terzijde van het luide hart der stad:
De nauw door een lantaarn verlichte stegen;
Langs 't mistende kanaal het glibrig pad.

Waar weinig grauwe mensen mij ontmoeten,
Wellicht genoten van mijn doffe leed,
Begerende voor hun verzworven voeten
Den grond, dien geen gelukkige betreedt.

Daar baad ik in den vloed der duisterheden,
Die alle droefheid van mij henen spoelt,
En weet: aan 't eind van alles wat wij leden,
Is de vervulling, die de wonden koelt.

Dan voel ik mij in 't donkere verglijden,
Dan eindig ik niet langer in dit vlees,
Maar uit mijn wezen gaat een vreemd verwijden
Naar iets, dat verder is dan lust en vrees.

En, wat vermoeid, maar vol van zulk een vrede,
Dat smart een damp wordt zonder vorm of wicht,
Kan ik weer keren ter gewende stede,
Langs blijde mensen, in het open licht.   


Aleksandr Blok (1880 - 1921)


Al wat geweest is heeft mijn zegen,
Ik had geen beter deel verwacht. 
Ach, hoeveel heb ik lief gekregen!
Met hoeveel hartstocht nagedacht!

Geluk en droefheid trokken beide
Door alles heen hun bitter spoor,
Maar liefdesstorm noch wanhoop leidde
Ertoe dat ik het licht verloor.

En jij, die ik nu ook weer kwelde,
Vergeef. Wij horen bij elkaar.
Wat wij elkander nooit vertelden
Werd ik in jouw gelaat gewaar.

De ogen zijn vervuld van aandacht,
En het onrustige gemoed
Vervolgt door sneeuw en koude nanacht
De weg die het vervolgen moed.



James Fenton



OUT OF DANGER

Heart be kind and sign the release
As the trees their loss approve.
Learn as leaves must learn to fall
Out of danger, out of love.

What belongs to frost and thaw
Sullen winter will not harm.
What belongs to wind and rain
Is out of danger from the storm.

Jealous passion, cruel need
Betray the heart they feed upon.
But what belongs to earth and death
Is out of danger from the sun.

I was cruel, I was wrong -
Hard to say and hard to know.
You do not belong to me.
You are out of danger now -

Out of danger from the wind,
Out of danger from the wave,
Out of danger from the heart
Falling, falling out of love.


Jean Pierre Rawie



TABOE

Ik zie met steeds opnieuw bedwongen schrik
al wat er al voorbij is onder ogen,
de jaren die mij zomaar zijn ontvlogen,
de schijngestalten van mijn eigen ik.

De schaarse tijd waarover ik beschik,
tegen de tijd die weg is afgewogen,
vervult mij schrijnend van mijn onvermogen;
het einde schuilt in ieder ogenblik.

Toch leef ik telkens naar een toekomst toe,
alsof ik nog met eeuwigheden reken,
en doe gewoon de dingen die ik doe.

Dat morgen misschien niet meer aan zal breken,
voor jou, voor mij, voor ons, is een taboe,
waarover ik niet hardop durf te spreken.



Jean Pierre Rawie

Je kunt ze zelf niet kiezen: hoofd en lijf,
en ook je leven heb je maar ten dele 
in eigen hand. Verveelde goden spelen
hun spel met ons; wij zijn hun tijdverdrijf.

Je zoekt, zoals ook vóor je al zovelen,
een zin te geven aan je aards verblijf,
maar je gewroet, gepieker en geschrijf
maakt geen verschil, en kan geen mens wat schelen.

Soms lijkt het even of je echt iets kiest,
maar zelfs de liefste vrienden en vriendinnen
heb je alleen tot je ze weer verliest.

Het einde stond al vast in den beginne;
dat het zo is, maakt het niet minder triest:
je kwam, je zag, en er was niets te winnen.


Georgi Ivanov - 1894-1958

Het brute lot trotseren, 
In twijfel trekken, keren?
Wie zoiets waagt, is dwaas, ontspoord.

Toch durf ik te beweren

Dat deze avond mij behoort.

Het rood boven de bomen,

Met parelmoeren zomen …
Een nachtegaal in een sering,
Een mier die wil ontkomen - 
Dit alles heeft voor iemand zin.

Het kan zelfs zinvol blijken

Dat ik hier sta te kijken,
Dat links mijn oude jas zich laat
Met avondrood bestrijken
En rechts zich in het maanlicht baadt.


Aleksandr Blok (1880 - 1921)

Vergeten was op deze droeve aarde
Roem, glorie, al wat mij belangrijk leek,
Als ik jouw stralende gezicht ontwaarde
Dat uit een simpel lijstje naar mij keek.

Maar jij vertrok, wij gingen uit elkander.
Ik wierp je ring weg voor het morgenlicht.
Je gaf je lot in handen van een ander,
En ik vergat je prachtige gezicht.

Als zwarte vogels wervelden de dagen …
Hartstocht en drank ontnamen mijn vreugd …
Jouw beeld voor 't altaar wilde niet vervagen,
Ik riep naar jou als naar mijn zoete jeugd.

Ik riep je, maar je hebt niet omgekeken,
Ik wenende, maar je hart werd niet verzacht,
En in je blauwe mantel, zonder spreken,
Ging je het huis uit in de regennacht.

Waar vond jouw trotse ziel een onderkomen,
Mijn lieveling, zo teder en zo zacht …
Ik blijf maar van die blauwe mantel dromen
Waarin jij wegging in de regennacht …

Vergeten zijn nu roem en tederheden,
Mijn jeugd is reeds voorbij, en jouw portret
In 't simpel lijstje hoor tot het verleden,
Ik heb het eigenhandig weggezet.


Rutger Kopland

De kunst van het doodgaan 

Als het zover is - zal ik dan eindelijk
weten wat dat is, doodgaan
jezelf verlaten en weten
dat je nooit terugkeert

soms wanneer ik het koraal hoor
Nun komm' der Heiden Heiland
doorstroomt mij een vermoeden van
onontkoombaar verlies -
maar wat geeft het

bij het zien van een uitzicht over bergen
een verte die verdwijnt in zichzelf
kan ik worden bevangen door een huiver
voor de eenzaamheid die mij wacht -
maar wat geeft het

er is wel eens zo'n avond dat over het gras
in de tuin het mooiste licht strijkt
dat er is: laat laag licht
en dat ik denk: dit was het dus
en het komt nooit meer terug -
maar wat geeft het

ik hoop dat dit het is want ik ben bang
dat het anders zal zijn



Maria Vasalis

Sotto Voce 

Zoveel soorten van verdriet, 
ik noem ze niet. 
Maar één, het afstand doen en scheiden. 
En niet het snijden doet zo'n pijn, 
maar het afgesneden zijn.

Nog is het mooi, 't geraamte van een blad,
vlinderlicht rustend op de aarde,
alleen nog maar zijn wezen waard.
Maar tussen de aderen van het lijden
niets meer om u mee te verblijden:
mazen van uw afwezigheid,
bijeengehouden door wat pijn
en groter wordend met de tijd.

Arm en beschaamd zo arm te zijn.


Liselore Gerritsen

En als ik zoals iedereen op een goeie dag zal doodgaan
hoop ik dat dat is op het uur dat de andere mensen opstaan
ik doe zoals altijd m'n ogen dicht
in het allervroegste morgenlicht
en met mijn mooiste kleren aan
ga ik van mijn stad vandaan
ik zal mijn langste nacht in gaan als de nacht voorbij is
en het leven dat ik heb ineens niet meer van mij is


Jean Pierre Rawie

STERFBED

Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud,
voel ik de botten door zijn huid heen steken.
Ik zoek naar woorden, maar hij kan niet spreken
en is bij elke ademtocht benauwd.

Dus schud ik kussens en verschik de deken,
waar hij met krachteloze hand in klauwt;
ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud,
en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.

Wij volgen één voor één hetzelfde pad,
en worden met dezelfde maat gemeten;
ik zie mijzelf nu bij zijn bed gezeten

zoals hij bij zijn eigen vader zat:
straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
hoe machteloos ik hem heb liefgehad.

12 juni 2012 - de dag dat mijn vader stierf


Jorge Luis Borges

Spinoza

De doorschijnende handen van de jood
Bewerken in de schemer de kristallen
En de middag, angst en koude, gaat dood.
(Eén middag is het evenbeeld van alle.)
De handen en de ruimte van een paarse tint
Die allengs verbleekt binnen de ghetto-grens
Bestaan ternauwernood voor deze kalme mens
Die droomt van doorzichtig labyrint.
Zijn roem, weerschijn van dromen in de droom
Van een andere spiegel, geeft hem geen schroom
Terwijl de gloed der deernen geen beletsel is.
Vrij van metafoor, van mythe, bewerkt de
Mens een harde kristal: de onbeperkte
Plattegrond van Hem die al Zijn sterren is.



Jorge Luis Borges

Het geschrevene dat diegenen nalieten
Op wie jouw angst zich beroept kan je niet redden;
je bent de anderen niet en je weet je thans
Centrum van het labyrint dat jouw stappen
Vlochten.  Niet de doodsstrijd van Jezus 
Noch die van Socrates, noch de sterke gouden
Siddharta die bij het doven van de dag
De dood in een tuin aanvaardde zal je redden. 
Stof is ook het woord geschreven door 
Jouw hand of uitgesproken door jouw mond. 
De Hades kent geen mededogen
En de nacht van God is eindeloos.
Je bent gemaakt van tijd, de onophoudelijke
Tijd. Je bent ieder afzonderlijk moment.


Thomas Campion

What if a day, or a month, or a yeare
Crown thy delights with a thousand sweet contentings?
Cannot a chance of a night or an howre
Crosse thy desires with as many sad tormentings?
          Fortune, honor, beauty, youth
          Are but blossoms dying;
          Wanton pleasure, doating love,
          Are but shadowes flying.
          All our joyes are but toyes,
          Idle thoughts deceiving;
          None have power of an howre
          In their lives bereaving.

Earthes but a point to the world, and a man
Is but a point to the worlds compared centure:
Shall then a point of a point be so vaine
As to triumph in a seely points adventure?
          All is hassard that we have,
          There is nothing biding;
          Dayes of pleasure are like streames
          Through faire meadowes gliding.
          Weale and woe, time doth goe,
          Time is ever turning:
          Secret fates guide our states,
          Both in mirth and mourning.

Sapfo

(…) eerlijk, ik wou dat ik dood was,
ze huilde toen ze mij moest verlaten
en in tranen zei ze me:
O, wat is dit erg voor ons,
Sapfo, tegen mijn wil ga ik bij je weg.
Maar ik gaf haar dit antwoord:
Vaarwel, ga gerust en denk aan mij,
want jij weet toch hoe wij van elkaar hielden,
zo niet, dan wil ik je helpen
herinneren ...
... en al het mooie wat wij beleefden,
veel kransen van viooltjes,
rozen en krokussen hingen om jou
... terwijl je bij me was